Ga naar hoofdinhoud
Home Kennis EU-alert 2 april 2026

In deze nieuwsbrief vindt u een overzicht van belangrijk Europeesrechtelijk nieuws. Wilt u op de hoogte blijven van de laatste ontwikkelingen op het gebied van het Europees recht? Schrijf u dan in voor onze tweewekelijkse nieuwsbrief.

Abonneren nieuwsbrief Europees recht

In deze nieuwsbrief:

  • Hof van Justitie: een nationale rechterlijke instantie die in laatste aanleg uitspraak doet, moet altijd motiveren waarom zij weigert een prejudiciële vraag te stellen
  • Hof van Justitie: deelname aan kartel op de luchtvrachtmarkt door 12 luchtvaartmaatschappijen in strijd met de mededingingsregels
  • College van Beroep voor het bedrijfsleven: Odido terecht verplicht om apparatuur Huawei en ZTE weren
  • Hoge Raad: afslagenbeleid van Zilveren Kruis tot vergoeding geneesmiddel is verenigbaar met het mededingingsrecht
  • Gerechtshof Den Haag: (voormalig) totaalverbod op online kansspelen niet in strijd met UnierechtEuropese
  • Gerechtelijke statistieken van 2025
  • Essay over staatssteun voor sociale en betaalbare huisvesting

Hof van Justitie: een nationale rechterlijke instantie die in laatste aanleg uitspraak doet moet altijd motiveren waarom zij weigert een prejudiciële vraag te stellen

Het Hof van Justitie heeft in het arrest Remling duidelijkheid verschaft over de reikwijdte en inhoud van de motiveringsplicht van in laatste aanleg rechtsprekende nationale rechters, wanneer zij beslissen geen prejudiciële vragen te stellen. Zelfs in het geval van een verkorte motivering blijft een hoogste rechterlijke instantie verplicht om specifiek en concreet uiteen te zetten waarom zij van oordeel is dat zij het Hof niet om een prejudiciële beslissing hoeft te verzoeken.

Op de site van Pels Rijcken is een blog gepubliceerd over dit arrest (“Hof van Justitie zet motiveringsplicht bij niet-prejudicieel verwijzen op scherp”). Annelotte Röell en Rosanne van der Straten hebben dit blog geschreven.

Bron: arrest van het Hof van Justitie van 26 maart 2026 in zaak C-767/23 met perscommuniqué.

Hof van Justitie: deelname aan kartel op de luchtvrachtmarkt door 12 luchtvaartmaatschappijen in strijd met de mededingingsregels

Het Hof van Justitie verwerpt in een serie arresten van 26 februari 2026 de door 12 luchtvaartmaatschappijen ingestelde hogere voorzieningen tegen de arresten van het Gerecht. De door de Commissie opgelegde kartelboetes blijft voor het merendeel in stand. Alleen het beroep van SAS Cargo Group wordt gedeeltelijk gehonoreerd.

Op 9 november 2010 heeft de Europese Commissie een besluit vastgesteld waarin werd uiteengezet dat meerdere luchtvaartmaatschappijen die actief zijn op de luchtvrachtmarkt (“de vervoerders”) hebben deelgenomen aan een prijskartel tussen december 1999 en februari 2006. Dit kartel had betrekking op onderlinge prijsafspraken met betrekking tot de brandstoftoeslag, de veiligheidstoeslag en de weigering om commissies te betalen. Aan de vervoerders werd een boete opgelegd van in totaal ongeveer € 790 miljoen. Nadat het eerste Commissiebesluit door het Gerecht is vernietigd wegens ontoereikende motivering, heeft de Commissie op 17 maart 2017 een nieuw besluit vastgesteld ten aanzien van negentien vervoerders waarin voor een bedrag van in totaal € 776 miljoen aan boetes werd opgelegd.

De vervoerders verzochten het Gerecht het nieuwe besluit ook nietig te verklaren en, subsidiair, het bedrag van de opgelegde geldboeten te verlagen. Het Gerecht heeft de beroepen van Martinair Holland, KLM, Cargolux, Air France-KLM, Air France, Lufthansa en Singapore Airlines bij arresten van 30 maart 2022 verworpen. Echter, het Gerecht heeft het bestreden besluit ten aanzien van een aantal andere vervoerders, waaronder Air Canada, gedeeltelijk nietig verklaard en het bedrag van de aan die vervoerders opgelegde boetes, verlaagd.

De vervoerders stelden hoger beroep in bij het Hof van Justitie tegen deze arresten van het Gerecht. Het Hof verwerpt in een reeks van dertien arresten vrijwel alle door de vervoerders aangevoerde argumenten en bekrachtigt het arrest van het Gerecht (op het beroep van SAS Cargo Group na, deze wordt gedeeltelijk toegewezen, zie C-403/22 P).

Ten eerste overweegt het Hof dat de in de artikelen 101 en 102 VWEU vervatte mededingingsregels van de Unie tot doel hebben om collectief en eenzijdig gedrag van ondernemingen aan te pakken dat de mededinging binnen de interne markt beperkt. Met het uitvoeringscriterium en het criterium van de gekwalificeerde gevolgen hetzelfde wordt hetzelfde doel nagestreefd, namelijk het aanpakken van gedragingen die niet op het grondgebied van de Unie hebben plaatsgevonden, maar waarvan de mededingingsverstorende gevolgen merkbaar kunnen zijn op de markt van de Unie. Hieruit volgt dat deze criteria een alternatief karakter hebben, waardoor slechts één van deze criteria op zich volstaat om de bevoegdheid van de Commissie vast te stellen. Het Gerecht heeft dus geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te weigeren het uitvoeringscriterium te onderzoeken.

Ten tweede wijst het Hof erop dat wanneer een inbreuk zich over verschillende jaren uitstrekt, het feit dat er voor een specifiek tijdvak geen rechtstreeks bewijs bestaat dat een onderneming heeft deelgenomen aan de inbreuk, er niet aan in de weg staat dat die deelname ook voor dit tijdvak wordt vastgesteld. Dit moet echter gebaseerd zijn op objectieve en onderling overeenstemmende aanwijzingen.

De vervoerders betwisten dat de verschillende betrokken gedragingen als een ‘enkele en voortdurende inbreuk’ kan worden aangemerkt. Het Hof verwerpt dit en wijst erop dat, wanneer een inbreuk zich over meerdere jaren uitstrekt, het feit dat voor bepaalde specifieke perioden geen rechtstreeks bewijs is aangevoerd voor de uitvoering van een overeenkomst door een onderneming, niet uitsluit dat haar deelname aan die overeenkomst niettemin is vastgesteld met betrekking tot die perioden.

Ten derde oordeelt het Hof dat het verstrijken van de verjaringstermijn van de sanctiebevoegdheid van de Commissie geen middel van openbare orde vormt. Het verweer van de vervoerders – dat het Gerecht ambtshalve had moeten ingaan op de verjaring – slaagt niet; de vervoerders hadden dit zelf moeten aanvoeren voor het Gerecht, maar dat is niet gebeurd.

Bron: arresten van het Hof van Justitie van 26 februari 2026 in zaken C-367/22 P, C-369/22 P, C-370/22 P, C-375/22 P, C-378/22 P, C-379/22 P, C-380/22 P, C-381/22 P, C-382/22 P, C-385/22 P, C-386/22 P, C-401/22 P, C-403/22 P met perscommuniqué.

College van Beroep voor het bedrijfsleven: Odido terecht verplicht om apparatuur Huawei en ZTE te weren

Op 19 februari 2026 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven (“het CBb”) uitspraak gedaan in het hoger beroep van Odido tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam. Het College bevestigt dat de verplichting om geen gebruik te maken van apparatuur van Huawei en ZTE in kritieke onderdelen van haar mobiele netwerk, terecht aan Odido is opgelegd.

De Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst en de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst hebben in 2018 geadviseerd om maatregelen te treffen binnen de telecomsector wegens een toename van digitale spionage in die sector. Na een risicoanalyse van de kwetsbaarheid van de mobiele netwerken door een interdepartementale Taskforce Economische Veiligheid is er een AMvB (Besluit veiligheid en integriteit telecommunicatiewet) vastgesteld. Op basis hiervan is aan Odido een maatregel opgelegd om geen gebruik te maken van apparatuur van de leveranciers Huawei en ZTE in kritieke onderdelen van haar mobiele netwerk en om de daar aanwezige apparatuur te vervangen.

De rechtbank heeft bij uitspraak van 27 oktober 2023 het beroep tegen de opgelegde maatregel ongegrond verklaard (ECLI:NL:RBROT:2023:10132). Het College bevestigt de uitspraak van de rechtbank en oordeelt dat de verplichting terecht aan Odido is opgelegd.

Het CBb oordeelt dat de Telecommunicatiewet (“Tw”) een grondslag voor de maatregel biedt en dat deze niet in strijd is met de van toepassing zijnde Europese richtlijn (de Telecomcode). Ook steunt de zogeheten Europese softlaw de toepasselijke bepaling van de Telecommunicatiewet.

De regelgeving die op basis van de Tw is opgesteld is verder niet onverbindend wegens strijd met het vrij verkeer van goederen, het evenredigheidsbeginsel, of het verbod van willekeur. Dat geldt ook voor de maatregel, die volgens het CBb niet onzorgvuldig tot stand is gekomen en een redelijke vervangingstermijn bevat. Verder is de opgelegde maatregel niet in strijd met het recht van Odido op ongestoord genot van eigendom (het netwerk), aldus het CBb.

Tot slot oordeelt het CBb dat Odido niet in aanmerking komt voor nadeelcompensatie. Dit omdat de omvang van de schade op concernniveau lager is dan de standaard drempel van 2% van de normkosten. Ook Odido’s beroep op het vertrouwensbeginsel wordt door het CBb verworpen.

De minister van Economische Zaken werd in deze zaak bijgestaan door Georges Dictus, Arnoud Boorsma, Thijs Franssen en Matthijs Timmer.

Bron: uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 19 februari 2026 in zaak ECLI:NL:CBB:2026:101 met persbericht.

Hoge Raad: afslagenbeleid van Zilveren Kruis tot vergoeding geneesmiddel is verenigbaar met het mededingingsrecht

De Hoge Raad oordeelt dat het afslagenbeleid van Zilveren Kruis, waarbij een bepaald geneesmiddel volledig wordt vergoed als het wordt ingekocht bij de fabrikant van het geneesmiddel en slechts gedeeltelijk wordt vergoed als het wordt ingekocht bij een paralleldistribiteur, niet in strijd is met het mededingingsrecht (artikel 34 VWEU en/of artikel 6 Mededingingswet).

Imbruvica is een geneesmiddel voor de behandeling van leukemie en lymfeklierkanker. Het geneesmiddel Imbruvica wordt in Nederland op de markt gebracht door diens fabrikant, Janssen-Cilag, en door paralleldistributeurs, waaronder Eureco-Pharma. Voor Imbruvica geldt op grond van de Wet geneesmiddelenprijzen een maximuminkoopprijs voor ziekenhuizen. Zorgverzekeraars mogen op grond van hun contractsvrijheid minder vergoeden, door het toepassen van ‘afslagen’ op de maximumvergoeding.

Als ziekenhuizen dit geneesmiddel rechtstreeks bij de fabrikant inkochten, ontvingen zij van Zilveren Kruis de maximale vergoeding. Zilveren Kruis ontving dan een bedrag terug van de fabrikant. Als ziekenhuizen bij een andere aanbieder inkochten, paste Zilveren Kruis echter een afslag toe en werden de kosten slechts gedeeltelijk vergoed. Per saldo werd de vergoeding van Imbruvica daardoor goedkoper voor de zorgverzekeraars, wat uiteindelijk ten goede kwam aan hun verzekerden.

Vanaf 2022 heeft Zilveren Kruis geen afslagen meer gehanteerd voor de maximuminkoopprijs voor Imbruvica die niet rechtstreeks van Janssen-Cilaq was afgenomen, maar van paralleldistributeurs. Dit afslagenbeleid heeft ertoe geleid dat de academische ziekenhuizen Imbruvica niet langer van Eureco-Pharma afnamen.

Eureco-Pharma stelt dat het afslagenbeleid in strijd is met artikel 34 VWEU en/of artikel 6 Mededingingswet (“Mw”). De rechtbank heeft de vorderingen van Eureco-Pharma afgewezen en het gerechtshof heeft dit vonnis bevestigd.

De Hoge Raad oordeelt ten eerste dat het afslagenbeleid van Zilveren Kruis niet aan te merken is als een aan de staat toe te rekenen overheidsmaatregel zodat deze binnen niet de reikwijdte van artikel 34 VWEU valt. Er kan namelijk niet worden aangenomen dat het beleid het vrij verkeer van goederen belemmert op dezelfde wijze als overheidsmaatregelen dat doen. Zo is het afslagenbeleid onderdeel van de privaatrechtelijke inkooprelatie van Zilveren Kruis met zorgbaanbieders en berust deze niet op een wettelijke bevoegdheid, wordt deze evenmin door de overheid voorgeschreven of gecontroleerd en worden aan dat beleid niet van overheidswege gevolgen verbonden.

Ook verwerpt de Hoge Raad het argument dat de kortingsafspraak de mededinging zou beperken. Zo blijkt uit evaluatierapporten van de ACM dat een door de fabrikant aan zorgverzekeraars verleende korting op basis van nacalculatie als een aanvaardbaar en door de Mededingingswet toegelaten resultaat van het inkoopproces wordt aangemerkt. Tegen deze achtergrond oordeelt de Hoge Raad dat het hof op juiste gronden geoordeeld dat de kortingsafspraak als zodanig niet de mededinging beperkt.

Het Zilveren Kruis werd in deze zaak bijgestaan door Sikke Kingma en Ruben de Graaff.

Bron: arrest van de Hoge Raad van 13 februari 2026 in zaak ECLI:NL:HR:2026:241.

Gerechtshof Den Haag: (voormalig) totaalverbod op online kansspelen niet in strijd met Unierecht

Het Gerechtshof Den Haag oordeelt dat het totaalverbod op online kansspelen, zoals dit gold in de periode tussen 2007 en 2014, weliswaar een beperking vormt van het vrij verkeer van diensten zoals neergelegd in artikel 56 VWEU, maar dat deze beperking gerechtvaardigd was. Hiermee bekrachtigt het hof de uitspraak van de rechtbank.

In 2019 heeft het Functioneel Parket van het Openbaar Ministerie (“OM”) een strafrechtelijk onderzoek ingesteld naar acht van de veertien eisers in deze zaak wegens verdenking van een overtreding van de Wet op de kansspelen (“Wok”) in de periode van 2007 tot 4 maart 2014, het witwassen van de opbrengst uit die veronderstelde overtredingen en deelname aan een criminele organisatie. In die periode gold op grond van de Wok een totaalverbod om online kansspelen aan te bieden. Sinds oktober 2021 is het op grond van de Wet kansspelen op afstand (“Wet Koa”) ook mogelijk om onder voorwaarden een vergunning te krijgen om online kansspelen aan te bieden op de Nederlandse markt. Het OM heeft over het strafrechtelijk onderzoek een persbericht uitgebracht op 24 juni 2021.

Eisers stellen dat het in de Wok opgenomen totaalverbod op online kansspelen in strijd is met het vrij verkeer van diensten, zoals neergelegd in artikel 56 VWEU. Het hof bekrachtigt echter het vonnis van de rechtbank.

Het hof stelt voorop dat het totaalverbod een beperking vormt van het vrij verkeer van diensten. Een beperking is niettemin toegestaan als deze is gerechtvaardigd door dwingende redenen van algemeen belang. Vaststaat dat de door de Staat c.s. aangevoerde doelstellingen tot bescherming van consumenten tegen gokverslaving en fraudebestrijding, dwingende redenen van algemeen belang zijn. Daarnaast moet de beperking evenredig, geschikt en noodzakelijk zijn.

Eisers stellen dat niet zou zijn voldaan aan het geschiktheidsvereiste, omdat volgens eisers een beperking slechts geschikt is om de verwezenlijking van de nagestreefde doelen te waarborgen als de uitvoering van de regelgeving daadwerkelijk leidt tot de verwezenlijking van de voornoemde nagestreefde doelen.

Het hof gaat niet hier niet in mee. Volgens rechtspraak van het Hof van Justitie hebben lidstaten veel beleidsruimte op het gebied van online kansspelen, zoals volgt uit onder meer de uitspraken Liga Portuguesa (C-42/07) en Carmen Media (C-46/08). Dat resultaten van het online kansspelbeleid minder goed waren dan gehoopt betekent niet dat het beleid niet geschikt is om de doelstellingen te verwezenlijken. Dat is pas het geval als de maatregel daartoe naar zijn aard niet geschikt is. Een totaalverbod op online-kansspelen is volgens het gerechtshof geschikt omdat daarmee het aanbod en daarmee de risico’s op kansspelverslaving en criminaliteit worden verkleind. Een andere opvatting zou meebrengen dat illegale aanbieders zelf door ondermijning van het kansspelbeleid invloed zouden hebben op de mate van geschiktheid en daarmee op de (Europeesrechtelijke) rechtmatigheid ervan. Het Unierecht eist op het gebied van online kansspelen bovendien niet dat uit verschillende mogelijke maatregelen het meest effectieve of minst vergaande stelsel wordt gekozen.

Het hof oordeelt verder dat het toegestane ‘e-commerce’-aanbod, als uitzondering op het totaalverbod, nog niet maakt dat het (toenmalige) online kansspelbeleid onsamenhangend of onsystematisch was. Van strijd met artikel 56 VWEU is dus geen sprake. Tot slot faalt ook de vordering van eisers tot rectificatie van het persbericht. Er is geen sprake van schending van de onschuldpresumptie en/of recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de betrokken eisers, aldus het hof.

De Staat c.s. werd in deze zaak bijgestaan door Georges Dictus.

Bron: arrest van het gerechtshof Den Haag van 10 maart 2026 in zaak ECLI:NL:GHDHA:2026:399.

Gerechtelijke statistieken van 2025

Op 20 maart 2026 zijn de gerechtelijke statistieken van 2025 gepubliceerd.

Het aantal ingediende zaken bij het Hof van Justitie bleef hoog, ondanks de overdracht van 65 prejudiciële verzoeken aan het Gerecht. Er was sprake van intensieve gerechtelijke activiteit, waarbij het aantal afgedane zaken vergelijkbaar was met de afgelopen jaren. De gemiddelde duur van de procedures is gedaald; namelijk 16,7 tegenover 17,7 maanden in 2024. Een groot aantal prejudiciële verzoeken kwam uit Italië en Polen.

Het Gerecht heeft in 2025 een historisch hoog aantal zaken afgedaan. Ondanks een recordaantal in het afgelopen kalenderjaar, was sprake van een verlaging van het aantal aanhangige zaken tot het laagste niveau in de afgelopen 18 jaar. Het aantal ingediende zaken op het gebied van staatssteun lag iets hoger dan het afgelopen jaar, maar nog steeds lager dan de hoge aantallen uit voorgaande jaren. Het aantal mededingingszaken bleef gelijk. De gemiddelde duur van de procedures is aanzienlijk gedaald naar 16 maanden (tegenover 18,5 maanden in 2024).

Bron: perscommuniqué nr. 44/26 van het Hof van Justitie van 20 maart 2026.

Essay over staatssteun voor sociale en betaalbare huisvesting

Georges Dictus en Maartje de Wit hebben voor Europa Decentraal een essay gepubliceerd over staatssteun voor sociale en betaalbare huisvesting en de ruimere mogelijkheden die de staatssteunregels bieden.

Bron: publicatie van Europa Decentraal van 30 maart 2026.

Abonneren nieuwsbrief Europees recht