Zaak 1: ESFA-model niet geschikt als onderbouwing afstand spuitvrije zone
Gewasbeschermingsmiddelen en biociden moeten in Nederland worden toegelaten door het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) en worden gebruikt volgens het wettelijk gebruiksvoorschrift (Wgv) dat op het etiket of in de bijsluiter staat. Naleving hiervan waarborgt de veiligheid van de agrarische producten voor de gebruiker (boer/tuinder) en de consument, en minimaliseert risico's voor milieu en dier. De Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) ontwikkelde een model voor de beoordeling van stoffen in toelatingsprocedures van gewasbeschermingsmiddelen en biociden: het EFSA-model.
In een voormalige zorgboerderij in de gemeente Dronten huisvest een eigenaar-verhuurder 31 arbeidsmigranten. Daarnaast is de huisvesting van 32 arbeidsmigranten voorzien in nieuw te plaatsen modules op het terrein van de zorgboerderij. Het college verleende hiervoor twee omgevingsvergunningen. Omwonende boeren vrezen dat het huisvesten van arbeidsmigranten in hun nabijheid tot beperkingen van hun agrarische bedrijfsvoering zal leiden, in bijzonder waar het gaat om het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. De beoogde huisvestinglocaties bevinden zich namelijk binnen een afstand van 50 m tot de agrarische gronden waar boeren met gewasbeschermingsmiddelen mogen spuiten. Alleen als uit specifiek onderzoek naar de locatie blijkt dat er door maatregelen minder, of geen, gezondheidsgevaar bestaat, mag die afstand kleiner zijn.[1] De omwonende agrariërs dienen bezwaar en navolgend beroep in.
De eigenaar-verhuurder bepleit dat de minimale afstand van 50 meter die de Afdeling hanteert is vastgesteld toen minder strenge wettelijke verplichtingen golden voor driftreductie. Dat maakt dat deze norm nu onevenredig streng is. Daarnaast liggen de te plaatsen modules met alle ramen en deuren gericht naar een biologisch bedrijf waar geen gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Aan de andere zijde, waar wel gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, bevinden zich geen ramen en deuren.
In beroep vernietigt de rechtbank de omgevingsvergunningen omdat bij het opstellen van het spuitzonerapport (de motivering van de bestreden besluiten) ten onrechte gebruik is gemaakt van het EFSA-model. Dit model blijkt niet geschikt om spuitzones in het kader van een goede ruimtelijke ordening te beoordelen.
Oordeel Afdeling
De Afdeling volgt de lijn van de rechtbankuitspraak. Het EFSA-model voldoet niet als zorgvuldig op de locatie toegesneden onderzoek dat een afwijking van de 50 meterzone motiveert. Een ‘goede ruimtelijke ordening’ kan op basis van dat model niet verzekerd worden. De Afdeling overwoog dit eerder meermaals.[2] Daarbij tekende de STAB ook aan dat het EFSA-model ook niet bedoeld is voor dergelijke, concrete beoordelingen, maar veeleer voor de beoordeling van stoffen in algemene toelatingsprocedures. [3]
Desondanks werd de geschiktheid van het EFSA-model regelmatig bepleit. De Afdeling stelt als antwoord daarop, evenals in deze zaak, onder meer dat een rapport dat gebruik maakt van het EFSA-model ten onrechte geen inzicht biedt in de blootstellingsrisico’s voor kinderen jonger dan één jaar en voor ongeboren kinderen. Ook benoemt de Afdeling dat een rapport dat geen inzicht biedt in de cumulatieve effecten van blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen of in de eventuele gecombineerde werking tussen gewasbeschermingsmiddelen onderling, niet volstaat.[4]
Weliswaar heeft het in deze zaak gehanteerde EFSA-model uit voorzorg gerekend met correctiefactoren en ruimere marges, die onder aan de streep zouden zorgen voor betere bescherming tegen gewasbeschermingsmiddelen; ook met toepassing van dergelijke voorzorgsmaatregelen kan niet worden ingeschat of daarmee tegemoet wordt gekomen aan de onzekerheden van het gehanteerde EFSA-model, aldus de Afdeling. Het in deze zaak gebruikte EFSA-model is dan ook geen algemeen wetenschappelijk aanvaard model waarmee in het kader van de ruimtelijke ordening afstanden voor aanvaardbare spuitvrije zones kunnen worden bepaald.
Bovendien hield het college in deze zaak in de primaire besluiten een verkeerde standaard aan door te refereren aan de feitelijke gebruikssituatie van het aangrenzend agrarisch bedrijf, terwijl in de besluitvorming moet worden uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden. Dat momenteel biologisch en dus zonder gewasbeschermingsmiddelen geteeld wordt, betekent niet dat dit in de toekomst ook het geval zal zijn. De stelling van de eigenaar-verhuurder dat op de gronden op dít moment geen gebruik wordt gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen, is kortom niet doorslaggevend. Het gaat er om dat dit in de toekomst planologisch wel mogelijk is.
Zaak 2: afstand van 17 meter in specifiek geval geaccepteerd
In de zaak, die leidde tot de uitspraak van de Afdeling van 11 maart 2026, ging het wederom om het plan om een complex voor de huisvesting van arbeidsmigranten te realiseren binnen een spuitzone van minder dan 50 meter. De zone betrof in dit geval slechts 17 meter.
De agrariërs van de omliggende bedrijven voerden aan dat onvoldoende was gemotiveerd waarom hier met ongeveer 17 meter kon worden volstaan. Volgens hen zou het naastgelegen perceel nog steeds voor een boomkwekerij kunnen worden geëxploiteerd (concreet plan van een van de agrariërs), waarbij gewasbeschermingsmiddelen gebruikt kunnen worden. Zo’n kortere afstand zou een onevenredige beperking van de planologische gebruiksmogelijkheden betekenen.
Oordeel Afdeling
De Afdeling gaat hier echter niet in mee. Er zijn verschillende onderzoeken uitgevoerd naar de gebruiksmogelijkheden van het naastgelegen perceel en naar de aanvaardbaarheid van de afstand. Daaruit volgt dat een spuitzone van minimaal 10 meter in dit geval volstaat voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Meegewogen is daarbij dat drift hier wordt gereduceerd door de (op grond van de vergunningvoorschriften) verplichte kokosmatten en dat een aanwezige watergang al een bestaande beperking vormt voor bespuiting van de gronden nabij de watergang.
Verder acht de Afdeling het relevant dat het gaat om een relatief klein perceel en dat het niet aannemelijk is dat machinaal gespoten kan worden. De paden die aangelegd zouden moeten worden voor machinaal bespuiten, zouden de netto beteelbare oppervlakte van het perceel namelijk te veel beperken. Nu het perceel niet geschikt is voor het uitvoeren van bespuiting met gewassenbeschermingsmiddelen door een getrokken of zelfrijdende spuitmachine, zal het spuiten met gewasbeschermingsmiddelen dus handmatig gebeuren. Daarnaast heeft het college inmiddels een loods, kas en woning vergund die op het perceel gerealiseerd zullen worden waardoor (zoals deskundigen ook bevestigen) de drift nog verder beperkt zal worden. Alles bij elkaar genomen beoordeelt de Afdeling een afstand van 17 meter in deze situatie als voldoende. De bedrijfsvoering en planologische gebruiksmogelijkheden van de agrariërs worden in dit geval met deze afstand niet onevenredig beperkt.
Dat het naast de vuistregel van 50 meter mogelijk is om de afstand (flink) te verkleinen, mits een locatiespecifiek onderzoek dit goed motiveert, maakt de uitspraak van 11 maart 2026 duidelijk. Kanttekening is wel dat deze uitspraak erg casuïstisch van aard is. De feitelijke kenmerken van het perceel en de specifieke omstandigheden speelden hier een doorslaggevende rol.
Raadpleeg hier de volledige uitspraak van de Afdeling van 18 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:929 en hier de uitspraak van de Afdeling van 11 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1410.
[1] ABRvS 19 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3023, ro. 19; ABRvS 18 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:929, ro. 5.
[2] ABRvS 19 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3023, ro. 25; ABRvS 23 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3387, ro. 7-10.
[3] ABRvS 19 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3023, ro. 23.
[4] Dezelfde kritiekpunten waren aan de orde in de uitspraken van 19 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3023 en 6 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4523.