Ga naar hoofdinhoud
Home Kennis Specifieke zorgplicht (artikel 2.11 Bal) bij gebruik gewasbeschermingsmiddelen

Specifieke zorgplicht (artikel 2.11 Bal) bij gebruik gewasbeschermingsmiddelen

8 april 2026
Katrien Winterink
en
Mathijs Peters

Op 30 maart 2026 heeft de rechtbank Noord-Nederland uitspraak gedaan in een beroepsprocedure tegen een afwijzing van een handhavingsverzoek vanwege een overtreding van de specifieke zorgplicht van artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bij sierteelt. Hoewel de uitspraak niet vaststelt of artikel 2.11 Bal al dan niet is overtreden, is de uitspraak het lezen waard omdat de rechtbank de kaders schetst voor een schending van artikel 2.11 Bal.

Waar gaat de zaak over?

Eiseressen hebben het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Westerveld (college) verzocht om handhavend op te treden tegen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bij sierteelt. Zij hebben dit verzoek onder andere gebaseerd op artikel 2.11 Bal en verzocht om een onmiddellijke stop op het gebruik van deze middelen, bijvoorbeeld door het opleggen van een last onder dwangsom.

Het college heeft dit handhavingsverzoek afgewezen (ook in de beslissing op bezwaar). Het college stelt zich samengevat op het standpunt dat sprake moet zijn van onmiskenbaar handelen in strijd met de zorgplicht. Dit is volgens het college niet het geval als de telers voldoen aan de algemene regels van het Bal en niet blijkt dat zij handelen in strijd met “good housekeeping” maatregelen.

Eiseressen hebben beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. Zij stellen samengevat dat het enkele gebruik van gewasbeschermingsmiddelen al een overtreding van de specifieke zorgplicht oplevert. Volgens eiseressen is de bestaande regelgeving met betrekking tot het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen ontoereikend. Zij stellen verder dat de specifieke zorgplicht ingevuld moet worden aan de hand van het voorzorgsbeginsel. Volgens eiseressen had het college nader onderzoek moeten verrichten naar onder meer de gebruikte middelen, de wijze van toepassing en de mogelijke effecten daarvan.

Toetsing artikel 2.11 Bal

De rechtbank stelt allereerst vast dat het telen van gewassen in de openlucht waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt in artikel 3.208, eerste lid, aanhef en onder a, Bal is aangewezen als milieubelastende activiteit. De specifieke zorgplicht van artikel 2.11 Bal is daarom van toepassing, waarbij de rechtbank overweegt dat deze naast de specifieke regels voor de betreffende milieubelastende activiteit geldt.

Voor de vraag wanneer handhavend kan worden opgetreden tegen een overtreding van artikel 2.11 Bal, sluit de rechtbank aan bij de toelichting en parlementaire geschiedenis van de specifieke zorgplicht. Daaruit volgt dat handhavend optreden bij een overtreding van een specifieke zorgplicht slechts aan de orde is in evidente gevallen, waarin sprake is van een onmiskenbare overtreding. Volgens de rechtbank is er dus alleen sprake van een overtreding als degene die de activiteit verricht onmiskenbaar nalaat wat op grond van de zorgplicht van haar/hem kan worden verlangd.

De rechtbank overweegt bovendien dat bij een evenwichtige toepassing van de specifieke zorgplicht en met het oog op het rechtszekerheidsbeginsel hoort dat redelijkerwijs te voorzien moet zijn wat de specifieke zorgplicht in een concreet geval inhoudt. De rechtbank merkt expliciet op dat hiermee wordt aangesloten bij de invulling die in de rechtspraak is gegeven aan de mogelijkheid tot handhaving van de zorgplicht uit het voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en het Bal geldende artikel 2.1 Activiteitenbesluit milieubeheer.

Voorzorgsbeginsel speelt geen rol

Eiseressen hebben zich tot slot in de beroepsprocedure op het standpunt gesteld dat de specifieke zorgplicht moet worden ingevuld aan de hand van het voorzorgsbeginsel. De rechtbank ziet geen aanleiding daarin mee te gaan. De rechtbank overweegt dat er, gelet op de parlementaire geschiedenis bij de totstandkoming van de (Invoeringswet) Omgevingswet en het Bal, geen aanknopingspunten zijn die die uitleg ondersteunen. Voor zover eiseressen een beroep doen op artikel 191 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), slaagt dat beroep bovendien niet nu dat artikel niet door particulieren kan worden ingeroepen (zie: ABRvS 30 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1953, rov. 24).

Tot welke conclusie komt de rechtbank?

Tegen de hiervoor geschetste achtergrond komt de rechtbank in de uitspraak van 30 maart 2026 tot de conclusie dat het college onvoldoende heeft onderzocht of sprake is van een overtreding van de zorgplicht. Uit het bestreden besluit volgt niet dat het college inzicht heeft verkregen in het concrete gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op de betrokken percelen, zoals de aard van de middelen, de frequentie en wijze van toepassing en de omstandigheden ter plaatse. Ook is niet onderzocht wat de mogelijke effecten zijn, bijvoorbeeld in relatie tot de afstand tot kwetsbare objecten of cumulatieve effecten.

Door dit onderzoek achterwege te laten, heeft het college onvoldoende feitelijke grondslag gecreëerd om te kunnen beoordelen of sprake is van een overtreding van de zorgplicht. Daarmee komt de rechtbank tot de conclusie dat het besluit in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel tot stand is gekomen.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit vanwege een gebrek in de voorbereiding.

Tot slot

De uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland onderstreept dat handhaving op grond van de specifieke zorgplicht van artikel 2.11 Bal mogelijk is als kan worden vastgesteld dat sprake is van een onmiskenbare overtreding. Wanneer sprake is van een onmiskenbare overtreding, verschilt uiteraard van geval tot geval. Het is daarom interessant om te zien dat er steeds meer uitspraken volgen over de zorgplichtbepalingen onder de Omgevingswet. Wij volgen deze uitspraken en zullen hierover bloggen op deze pagina.

Vooralsnog is geen verschuiving zichtbaar ten opzichte van de oude jurisprudentie zoals die gold onder artikel 2.1 van het Activiteitenbesluit. De rechtbank sluit in zijn uitspraak van 30 maart 2026 aan bij deze jurisprudentie, net als de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam in haar uitspraak van 14 februari 2025 (ECLI:NL:RBROT:2025:1816).

Raadpleeg hier de volledige uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 30 maart 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:1051.