Ga naar hoofdinhoud
Home Kennis Kostenverhaal bij toepassing bestuursdwang niet snel onredelijk

Last onder bestuursdwang en kostenverhaal bij faillissement & de motivering van kostenbesluiten

8 april 2026
Katrien Winterink
en
Nadiah Amoah

Wanneer een bestuursorgaan overgaat tot de toepassing van bestuursdwang, worden de kosten die het bestuursorgaan maakt in principe verhaald op de overtreder (mits het kostenverhaal is vermeld in de last). Het bestuursorgaan kan op deze wijze noodzakelijke, redelijke en daadwerkelijk gemaakte kosten bij de overtreder neerleggen. In een uitspraak van 25 maart 2026 gaat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) in op de vraag of de op de overtreder verhaalde kosten redelijk zijn.

Waar gaat de zaak over?

Een inwoner van Hazerswoude-Dorp (eigenaar) heeft op zijn percelen een tot woning verbouwde boogkas en een zeecontainer staan. Daarnaast gebruikt hij zijn percelen om bedrijfsmaterialen op te slaan. Er is echter geen omgevingsvergunning verleend voor het verbouwen van de boogkas tot een woning. Daarnaast is het gebruik van de percelen in strijd met de beheersverordening “Buitengebied Rijnwoude 2015”.

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Alphen aan de Rijn (het college) legt daarom bij besluit van 28 juni 2022 een last onder bestuursdwang op. De desbetreffende last houdt in dat de eigenaar het strijdige gebruik van de percelen dient te beëindigen en de woonruimte, de zeecontainer en de opgeslagen bedrijfsmaterialen van zijn percelen moet verwijderen. Het college heeft in deze last onder bestuursdwang ook bepaald dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang op de eigenaar zullen worden verhaald.

De eigenaar gaat tegen deze last onder bestuursdwang in bezwaar. Bij besluit van 23 november 2022 wordt dit bezwaar ongegrond verklaard. De eigenaar gaat vervolgens in beroep bij de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

In haar uitspraak van 5 juni 2024 oordeelt de rechtbank Den Haag dat niet in geschil is dat is gebouwd zonder de vereiste vergunning en dat het perceel in strijd met de beheersverordening wordt gebruikt. Daarnaast oordeelt de rechtbank dat het college niet van handhaving had hoeven afzien. Ook acht de rechtbank het handhavend optreden van het college niet onevenredig tot de daarmee te dienen belangen. De overtredingen zijn niet gering en de stelling van de eigenaar dat derden geen last hebben van zijn gebruik van de percelen maakt dit niet anders, aldus de rechtbank.

Verder overweegt de rechtbank dat het college oog heeft gehad voor de ingrijpende gevolgen van het moeten verlaten van de woonruimte.

Hoewel de eigenaar nog heeft aangedragen dat het gedogen van zijn woonsituatie geen precedent zal scheppen, overweegt de rechtbank tot slot dat handhaving van wettelijke regels een zwaarwegend algemeen belang is waar niet zonder meer van kan worden afgeweken.

De rechtbank verklaart het beroep van de eigenaar ongegrond. De eigenaar gaat tegen deze uitspraak in hoger beroep.

Kostenverhaalbeschikking

Op 20 en 21 maart 2025 is het college overgegaan tot toepassing van bestuursdwang nadat de eigenaar geen gehoor heeft gegeven aan de opgelegde last. Op 4 juli 2025 heeft het college de kosten voor toepassing van bestuursdwang gesteld op € 28.497,60 en deze kosten bij de eigenaar in rekening gebracht.

De eigenaar dient gronden in tegen deze kostenverhaalbeschikking. Aangezien op grond van artikel 5:31c, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) het hoger beroep tegen een last onder bestuursdwang mede betrekking heeft op een kostenverhaalbeschikking waartegen wordt geageerd, behandelt de Afdeling zowel de last onder bestuursdwang als de kostenverhaalbeschikking.

Oordeel van de Afdeling

Met betrekking tot de last onder bestuursdwang sluit de Afdeling aan bij het oordeel van de rechtbank. Over de kostenverhaalbeschikking wordt in uitspraak van de Afdeling het volgende opgemerkt.

Volgens de eigenaar heeft het college onvoldoende oog gehad voor de impact van de kostenverhaalbeschikking op zijn leven en daarmee voor de menselijke maat. Daarnaast stelt hij dat het college voor de toepassing van de last onder bestuursdwang onzorgvuldig heeft gehandeld, omdat zij niet meerdere offertes heeft opgevraagd. De eigenaar stelt verder dat het college onterecht kosten heeft gemaakt door zijn huisraad op te slaan, omdat dit had kunnen worden teruggegeven. Het sloopmateriaal had bovendien op het terrein kunnen blijven. Tot slot zijn de personeelskosten in de kostenverhaalbeschikking erg hoog en hadden deze kosten gematigd moeten worden, aldus de eigenaar.

Het college stelt zich op het standpunt dat zij wel zorgvuldig heeft gehandeld. Allereerst stelt het college dat bij meerdere bedrijven een offerte voor de uit te voeren werkzaamheden is opgevraagd. Echter, geen enkel bedrijf kon op basis van een luchtfoto en een filmpje een kosteninschatting maken. Daarom heeft het college het dichtstbijzijnde bedrijf gekozen, maar dat bedrijf trok zich kort voor het uitvoeren van de werkzaamheden terug. Het college heeft toen een ander bedrijf ingeschakeld en heeft – om discussies over de wijze waarop de bestuursdwang is toegepast te voorkomen – de feitelijke werkzaamheden uitvoerig in een proces-verbaal vastgelegd. Daarnaast geeft het college aan dat in de kostenverhaalbeschikking 102 ambtelijke uren tegen een tarief van € 51,84 zijn opgenomen. Ook stelt het college dat zij – ter voorkoming van het verder oplopen van de kosten – de eigenaar heeft gevraagd afstand te doen van zijn goederen. Het college heeft zich gehouden gevoeld de goederen veilig te stellen, omdat de eigenaar niet op dit verzoek heeft gereageerd.

De Afdeling ziet in de gronden van de eigenaar geen reden om te oordelen dat het college de in de kostenverhaalbeschikking opgenomen posten niet in deze omvang bij de eigenaar in rekening had kunnen brengen. De stelling van de eigenaar dat de kosten hoog waren omdat niet bij meerdere bedrijven een offerte is opgevraagd, is mede gezien het college heeft toegelicht, daarvoor onvoldoende. Ook overweegt de Afdeling dat de eigenaar de ambtelijke uren en het bijbehorende tarief niet als zodanig bestrijdt. Het enkele standpunt dat de eigenaar deze erg hoog acht, vormt volgens de Afdeling geen grond om het kostenverhaal onrechtmatig te achten. Ook acht de Afdeling het opslaan van de meegevoerde materialen rechtmatig gezien artikel 5:29, derde lid, Awb. De daarvoor gemaakte kosten mag het college dan ook op de eigenaar verhalen, aldus de Afdeling.

Met betrekking tot de impact van het bestreden besluit oordeelt de Afdeling dat de stelling dat het kostenverhaal ingrijpend is en dat de kosten drukken op de algemene middelen van de eigenaar, onvoldoende reden zijn voor het oordeel dat het college niet tot kostenverhaal had mogen overgaan. De Afdeling overweegt:

Zoals de Afdeling in de uitspraak van 13 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:437 heeft overwogen, hoeft het bestuursorgaan bij een besluit omtrent kostenverhaal in beginsel geen rekening te houden met de financiële draagkracht van de overtreder. De draagkracht van de overtreder kan namelijk meestal pas in de executiefase ten volle worden gewogen. Als hierover een geschil ontstaat, is de rechter die belast is met de beslechting daarvan bij uitstek in de positie om hierover een oordeel te geven. Voor een uitzondering op dit beginsel bestaat alleen aanleiding, als evident is dat de overtreder gezien zijn financiële draagkracht niet in staat zal zijn de te verhalen kosten van bestuursdwang (volledig) te betalen. Op de overtreder rust de last aannemelijk te maken dat dit het geval is. Hij dient daarvoor zulke informatie te verstrekken dat een betrouwbaar en volledig inzicht wordt verkregen in zijn financiële situatie en de gevolgen die het betalen van de verhaalde kosten zou hebben.”

De Afdeling is van oordeel dat de eigenaar zijn betoog over zijn financiële situatie niet met stukken heeft onderbouwd. Daarom acht de Afdeling de bovenstaande uitzondering niet van toepassing. De Afdeling verklaart het hoger beroep ongegrond.

Raadpleeg hier de volledige uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1740.