Ga naar hoofdinhoud
Home Kennis Geluidsmetingen representatief, ondanks dat omstandigheden die geluidsniveau zouden kunnen beïnvloeden niet zijn meegenomen

Geluidsmetingen representatief, ondanks dat omstandigheden die geluidsniveau zouden kunnen beïnvloeden niet zijn meegenomen

10 augustus 2026
Katrien Winterink
en
Marije van Mannekes

De controles door een toezichthouder naar aanleiding van een handhavingsverzoek moeten representatief en deugdelijk zijn, zo luidt standaardjurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak. Een uitspraak van de Afdeling van 13 mei 2026, geeft inzicht in wanneer het onderzoek naar aanleiding van een handhavingsverzoek voldoende representatief en deugdelijk is, in het geval van overtredingen die zich incidenteel voordoen. In de betreffende zaak ging het daarbij om geluidhinder, ervaren door een omwonende van een voetbalkooi. De Afdeling concludeert dat de representativiteit van de metingen niet per definitie onvoldoende is, indien er omstandigheden zijn die invloed zouden kunnen hebben op het geluidsniveau, maar in het onderzoek niet zijn meegenomen. Hier speelde daarnaast onder meer mee dat het college aan de omwonende de keuze had voorgelegd wanneer het geluidsonderzoek zou plaatsvinden. Nu hij daarbij de voorkeur gaf aan “zo snel mogelijk”, mocht het college de geluidsmeting in april uitvoeren.

Waar ging de zaak over?

Een omwonende van een voetbalkooi in Groningen verzoekt het college van burgemeester en wethouders van Groningen om handhavend op te treden tegen de geluidhinder die hij ervaart van de voetbalkooi. Op grond van artikel 4:5 lid 1 Algemene plaatselijke verordening Groningen 2021 (APVG 2021) is het namelijk verboden om buiten een inrichting op zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten, dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. Het college wijst dit verzoek af.

De omwonende maakt vervolgens bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek, maar ook het bezwaar verklaart het college ongegrond. Daaraan heeft het college het rapport ‘Geluidsmetingen [locatie] Groningen’ ten grondslag gelegd. Hieruit blijkt dat de geluidsmetingen, uitgevoerd van 8 tot en met 13 april 2022 en continu verricht, laten zien dat er gedurende de meetperiode maar twee geringe overschrijdingen zijn geweest, die het gevolg waren van schreeuwende kinderen. Het college heeft op grond daarvan geen overtreding van artikel 4:5 van de APVG 2021 kunnen vaststellen.

De omwonende laat het hier niet bij zitten, gaat in beroep bij de rechtbank en vervolgens ook in hoger beroep. Daar betwist hij de juistheid van de metingen die in het rapport zijn opgenomen. Zo stelt hij dat het rapport niet is gebaseerd op de metingen van de zesdaagse meetperiode, maar enkel op geluidsfragmenten en dat toezichthouders om die reden dan ook maar twee keer overschrijdingen van de grenswaarden hebben geconstateerd. Verder geeft de bewoner aan dat de meetperiode langer had moeten zijn om een zorgvuldig rapport tot stand te brengen. Daarbij had rekening moeten worden gehouden met de tijd van het jaar en het weer, nu deze factoren het geluidsniveau kunnen beïnvloeden. In de schoolvakanties wordt het geluidsniveau namelijk vaker overschreden dan in de zes dagen in april waarin de metingen hebben plaatsgevonden, en als het tijdens de meetperiode regent, wordt minder gebruik gemaakt van de voetbalkooi. Ook had het college rekening moeten houden met perioden waarin voetbaltoernooien op de televisie plaatsvinden waardoor kinderen geïnspireerd raken om meer te voetballen. De geluidsmetingen geven volgens de omwonende kortom een te beperkt beeld van de daadwerkelijke geluidsoverschrijdingen.

Nu het onderzoek volgens hem te mager is, voert de omwonende verder aan dat de rechtbank ten onrechte zijn verzoek om een onafhankelijke deskundige aan te wijzen heeft afgewezen. Volgens hem had een nieuw actueel rapport moeten worden opgesteld over de huidige situatie. Het rapport is al meer dan twee jaar oud, en kan alleen al daarom niet meer als basis dienen voor de besluitvorming.

Verder zou het college zich ten onrechte hebben beperkt tot de vraag of sprake is van een overtreding van artikel 4:5, eerste lid van de APVG 2021. Het college had daarnaast naar alternatieven moeten zoeken om de door hem ondervonden geluidshinder te voorkomen.

Tot slot komt nog aan de orde dat de rechtbank eraan voorbij is gegaan dat de afwijzing van het handhavingsverzoek niet evenredig is. De omwonende heeft namelijk te maken met ernstige medische en psychische problemen, die worden verergerd door de geluidsoverlast van de voetbalkooi.

Hoe oordeelt de Afdeling?

De Afdeling gaat eerst in op het moment van de geluidsmeting en stelt vast dat de keuze van het college voor het moment van de geluidsmetingen, waarbij geen rekening is gehouden met het weer, schoolvakantie of voetbaltoernooien, geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college de geluidsmetingen niet mocht uitvoeren in april. Daarbij speelt mee dat een juridisch medewerker van het college de omwonende heeft gevraagd of hij een voorkeur had voor een bepaalde periode. De omwonende heeft toen aangegeven dat hij wilde dat de geluidsmeter zo snel mogelijk zou worden geplaatst. Hij heeft niet gevraagd of het college rekening kon houden met omstandigheden zoals het weer, de schoolvakanties of voetbaltoernooien, ook niet nadat de juridisch medewerker van het college voorstelde de metingen in de zomermaanden uit te voeren vanwege de geluidshinder bij mooi weer. Daarnaast blijkt uit het in de bezwaarprocedure ingediende overzicht van zijn meldingen dat de omwonende gedurende het grootste deel van het jaar, waaronder in april, overlast ervaart van de voetbalkooi. Ook heeft hij aangegeven dat hij tijdens de meetperiode overlast heeft ervaren. Het enkele feit dat kinderen in andere perioden van het jaar, bijvoorbeeld tijdens grote internationale voetbaltoernooien, meer geïnspireerd zijn om te voetballen, is ook onvoldoende voor het oordeel dat metingen in april geen representatief beeld opleveren.

Daaraan voegt de Afdeling nog toe dat het college niet bevoegd is om handhavend op te treden, omdat er inderdaad geen sprake is van een overtreding van het verbod op het veroorzaken van geluidshinder als bedoeld in artikel 4:5 lid 1 APVG 2021. De vraag of het college alternatieven had moeten zoeken kan geen onderdeel uitmaken van dit geding, omdat de procedure zijn ingang heeft gevonden met een handhavingsverzoek. Daarom ligt alleen de vraag voor of het college handhavend had moeten optreden. Omdat het college niet bevoegd is om handhavend op te treden, komt de Afdeling ook niet toe aan een beoordeling van de evenredigheid van de afwijzing van het handhavingsverzoek.

Tot slot hoefde de rechtbank geen onafhankelijke deskundige aan te wijzen, omdat het niet nodig is om een nieuw rapport op te stellen, gelet op het oordeel van de rechtbank dat het rapport zorgvuldig tot stand is gekomen en de conclusies begrijpelijk zijn, en het college zich dus daarop mocht baseren. Het rapport dateert weliswaar uit 2022, maar was op het moment van het besluit van het college actueel. Daarbij is relevant dat een nader onderzoek naar de huidige situatie niet zou bijdragen aan de toetsing van het genomen besluit van het college op het bezwaar, omdat deze toetsing plaatsvindt op grond van de situatie zoals die zich ten tijde van het besluit voordeed.

Kortom

Uit deze uitspraak valt af te leiden dat het niet eenvoudig is om als omwonende de volledigheid van een geluidsonderzoek succesvol aan te vechten, alleen omdat niet alle omstandigheden die mogelijk invloed hebben op de geluidsniveaus betrokken zijn in het onderzoek. Als een omwonende zelf invloed had kunnen uitoefenen op het geluidsonderzoek door te kiezen op welk moment het onderzoek zou plaatsvinden, geldt dit des te meer. Het betwisten van een geluidsonderzoek dat gebaseerd is op een rapport dat op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, en dus als volledig en representatief werd beschouwd, leidde in deze zaak voor de omwonende niet tot de gewenste uitkomst.

Raadpleeg hier de volledige uitspraak van de Afdeling van 13 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2727.