Waar ging de zaak over?
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oldebroek heeft een tijdelijke omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) verleend voor de duur van vijf jaar. De vergunning ziet op het plaatsen van een tijdelijke woonunit, twee containers en een meterkastvoorziening, alsmede op het uitvoeren van graafwerkzaamheden. Vergunninghoudster is voornemens op het perceel een nieuwe 2‑onder‑1‑kapwoning te bouwen. Gedurende de sloop van de bestaande woning en de bouw van de 2-onder-1-kapwoning is de tijdelijke woonunit (met bijbehorende voorzieningen) nodig. De eigenaresse en verhuurster van panden op de direct aangrenzende percelen en tevens moeder van de vergunninghoudster is het niet eens met de vergunning van haar dochter en maakt bezwaar. Ook vraagt zij de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 9 mei 2025 is haar verzoek afgewezen door de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland. Het college heeft de omgevingsvergunning bij beslissing op het bezwaar in stand gelaten. De eigenaresse kan zich hier niet in vinden en stelt vervolgens beroep in bij de rechtbank Gelderland.
De gemeenteraad van Oldebroek heeft in beleid vastgelegd dat bij alle BOPA’s participatie verplicht is. Dat betekent dat vergunninghoudster ook voor dit project (verplicht) aan participatie had moeten doen.
Wat voert de eigenaresse aan?
De eigenaresse van de direct aangrenzende percelen vindt dat haar dochter het participatiebeleid niet goed heeft toegepast. Ze heeft alleen een brief gestuurd aan de toekomstige bewoners van de twee‑onder‑een‑kapwoning, en niet aan de eigenaresse of andere omwonenden en belanghebbenden. Volgens de eigenaresse is daarmee niet voldaan aan de participatieverplichting.
Wat vindt het college?
Het college sluit aan bij het oordeel van de voorzieningenrechter van 9 mei 2025 (ECLI:NL:RBGEL:2025:3574) dat het toezenden van een brief met de strekking van het project in dit geval volstaat. Het college vindt daarom dat voldoende aan participatie is gedaan. Daarbij weegt het college mee dat de eigenaresse van de direct aangrenzende percelen op de hoogte was van de aanvraag en een zienswijze heeft ingediend. Volgens het college is dan ook niet gebleken dat zij door de – weliswaar beperkte – participatie in haar belangen is geschaad.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
De rechtbank Gelderland volgt het college en herhaalt het oordeel van de voorzieningenrechter:
“16. Het uitgangspunt onder de Omgevingswet is dat participatie door de initiatiefnemer bij omgevingsvergunningen vrijwillig is, maar de gemeenteraad kan gevallen aanwijzen waarin participatie een verplicht aanvraagvereiste is. Voor de gemeente Oldebroek heeft de gemeenteraad in zijn beleid vastgelegd dat voor alle omgevingsvergunningen voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten verplicht aan participatie moet worden gedaan. Dat betekent dat vergunninghoudster dus ook voor dit project (verplicht) aan participatie heeft moeten doen. De wetgever heeft echter niet bepaald wanneer er (bij verplichte participatie) sprake is van onvoldoende participatie.
16.1. De voorzieningenrechter neemt aan dat in die gevallen dat participatie verplicht is gesteld, de participatie wel enige betekenis moet hebben. Anders zou het verplicht stellen van participatie weinig zinvol zijn. Het hangt vervolgens af van de aard van het project en de impact op de omgeving wat er in redelijkheid aan participatie gedaan moet worden. Het is in eerste instantie aan het college om te beoordelen of de initiatiefnemer in redelijkheid heeft kunnen volstaan met de verrichte participatie.”
Volgens de rechtbank Gelderland blijkt uit de overgelegde stukken dat het bouwplan aangetekend is verstuurd aan de familie die zal gaan wonen in de 2-onder-1-kap woning (de toekomstige bewoners). De rechtbank stelt vast dat de vergunninghoudster het bouwplan niet aan de haar moeder heeft gezonden. De rechtbank oordeelt dat het toezenden van het bouwplan aan slechts één belanghebbende onvoldoende is voor een deugdelijke participatie, wanneer bekend is dat er meerdere belanghebbenden zijn. Dit geldt volgens de rechtbank temeer nu de toekomstige bewoners mede-initiatiefnemer van het bouwplan waren en dus reeds op de hoogte waren, terwijl voor de hand lag dat haar moeder als eigenaresse van de direct aangrenzende percelen ook de gelegenheid zou willen hebben om te participeren. Dat haar moeder uiteindelijk toch van het bouwplan op de hoogte is geraakt en een zienswijze heeft ingediend, doet daaraan niet af.
De rechtbank acht dan ook (onder meer) deze beroepsgrond gegrond en vernietigt (mede) daarom de beslissing op bezwaar. In het kader van finale geschilbeslechting passeert de rechtbank het gebrek, gelegen in de niet deugdelijk uitgevoerde participatie, echter met toepassing van artikel 6:22 Awb.
Passeren van gebrek in participatieproces met 6:22 Awb
De rechtbank stelt voorop dat het passeren van een gebrek in de voorbereiding van het besluit mogelijk is met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, als aannemelijk is dat belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.
De eigenaresse wenst dat participatie alsnog plaatsvindt via een nieuwe schriftelijke overlegronde met het college en haar dochter, omdat dit mogelijk zou kunnen leiden tot aanpassing van de aanvraag en/of onderdelen van het besluit op onderdelen.
De rechtbank oordeelt echter dat passeren op grond van artikel 6:22 Awb in dit geval voor de hand ligt, nu een nieuwe schriftelijke overlegronde geen meerwaarde heeft. Daarbij weegt de rechtbank mee dat de eigenaresse en vergunninghoudster moeder en dochter zijn die al jarenlang niet op goede voet staan. Volgens de rechtbank heeft de eigenaresse haar argumenten tegen de tijdelijke voorzieningen in de bezwaarfase al uitgewisseld en haar argumenten hebben niet tot een aanpassing van de omgevingsvergunning geleid. De rechtbank geeft verder aan dat niet is gebleken van andere belanghebbenden die in hun belangen zijn geschaad door de wijze van participatie. Gelet hierop is de rechtbank Gelderland van oordeel dat het gebrek in de besluitvorming gepasseerd kan worden met toepassing van artikel 6:22 Awb.
Wat betekent deze uitspraak in het licht van eerdere rechtspraak?
Uit rechtspraak van de Afdeling volgt dat toepassing van artikel 6:22 Awb mogelijk is indien aannemelijk is dat de belanghebbende door het gebrek in het bestreden besluit niet is benadeeld. Een gebrek dat herstel behoeft, leent zich in beginsel niet voor toepassing van deze bepaling. In gevallen waarin van het bestuursorgaan een bepaalde actie is vereist om het gebrek weg te nemen, kan er immers niet zonder meer van worden uitgegaan dat belanghebbenden door het gebrek niet zijn benadeeld. Alleen indien evident is dat belanghebbenden door het gebrek niet zijn benadeeld, kan bij het bestaan van een dergelijk gebrek toepassing worden gegeven aan artikel 6:22 Awb (bijv. ABRvS 14 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2169, r.o. 3.2; ABRvS 26 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2610, r.o. 5.3; ABRvS 28 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:694).
In een eerdere blog schetsten we twee lijnen over het passeren van gebreken in verplichte participatie via artikel 6:22 Awb.
Rechtbank Midden‑Nederland (12 januari 2026, ECLI:NL:RBMNE:2025:6928) achtte passeren mogelijk, nu – afgezien van de eigenaar van een naburige woning – niemand uit de kring van belanghebbenden die was aangeschreven, reageerde op de brief over het voornemen of opkwam tegen het bouwplan voor het plaatsen van het verdeelstation, zodat benadeling van andere belanghebbenden niet aannemelijk was. Daarbij nam de rechtbank in overweging dat de gekozen kring van belanghebbenden (19 adressen van woningen en/of bedrijven rondom de locatie) passend was gelet op de beleidsregels die voorschreven dat naarmate de impact van het bouwplan groter is, meer belanghebbenden moeten worden betrokken. Bovendien benadrukte de rechtbank Midden-Nederland dat een afweging over de toepassing van 6:22 Awb anders kan uitpakken in het geval er geen enkele vorm van participatie heeft plaatsgevonden of als de impact van het ruimtelijk initiatief groter is.
Rechtbank Amsterdam (uitspraken van 20 november ECLI:NL:RBAMS:2025:9275 en 20 april ECLI:NL:RBAMS:2026:4662) vond passeren daarentegen niet mogelijk, omdat de raad participatie niet voor niets had verplicht, de kring van participanten breder is dan de procespartijen en participatie kan meewegen in de BOPA‑belangenafweging. De rechtbank Amsterdam concludeerde in dit geval dat er bij de voorbereiding van de vergunningaanvraag voor een uitbreiding van het terras geen participatie had plaatsgevonden; het college moest het gebrek herstellen door participatie ‘in te halen’.
In het verlengde van de lijn van de rechtbank Midden-Nederland oordeelt ook de rechtbank Gelderland hier dat het passeren van het gebrek in de (verplichte) participatie mogelijk is met toepassing van artikel 6:22 Awb. Net als de rechtbank Midden-Nederland overweegt de rechtbank Gelderland dat een nieuw participatietraject (of “dialoog”, vgl. r.o. 20 van de uitspraak van rechtbank Midden-Nederland, over het plaatsen van de tijdelijke woonunit (en twee containers, een meterkastvoorziening en het verrichten van graafwerkzaamheden) tussen moeder en dochter geen toegevoegde waarde heeft en dat niet is gebleken van andere belanghebbenden die in hun belangen zijn geschaad door de wijze van participatie.
Tot slot
We zijn benieuwd of staatsraad advocaat‑generaal Nijmeijer zal aansluiten bij de lijn van de rechtbanken Gelderland en Midden‑Nederland (wel passeren), of dat de Amsterdamse benadering (niet passeren, maar herstellen) - met nadruk op het verplichte karakter, de bredere kring van participanten en de rol van participatie in de BOPA‑belangenafweging - in zijn conclusie terugkomt. Op 15 oktober 2026 zal de Afdeling drie zaken over participatie onder de Omgevingswet gezamenlijk behandelen, waaronder de zaak over het verdeelstation (Rb. Midden‑Nederland,12 januari 2026, ECLI:NL:RBMNE:2025:6928), waarna AG Nijmeijer zes weken de tijd heeft om zich onder meer over de toepassing van artikel 6:22 Awb uit te spreken in zijn conclusie.
Raadpleeg de volledige uitspraak van de rechtbank Gelderland van 28 juli 2026 (gepubliceerd op 3 augustus 2026), ECLI:NL:RBGEL:2026:6076 en de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland van 9 mei 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:3574.