Ga naar hoofdinhoud
Home Kennis EU-alert 29 januari 2026

EU-alert - 29 januari 2026

29 januari 2026
Marleen Botman

In deze nieuwsbrief vindt u een overzicht van belangrijk Europeesrechtelijk nieuws. Wilt u op de hoogte blijven van de laatste ontwikkelingen op het gebied van het Europees recht? Schrijf u dan in voor onze tweewekelijkse nieuwsbrief.

Abonneren nieuwsbrief Europees recht

In deze nieuwsbrief:

  • Hof van Justitie toetst Deense volkshuisvestingswet aan discriminatieverbod
  • Hof van Justitie: het opleggen van minimumtarieven voor de levering van boeken moet worden getoetst aan het vrij verkeer van goederen
  • Afdeling Bestuursrechtspraak stelt prejudiciële vragen over de uitleg van de vereenvoudigde aanvraagprocedure van de Geneesmiddelenrichtlijn
  • Afdeling bestuursrechtspraak: afwijzen exploitatievergunningen passagiersvaart niet in strijd met rechtszekerheidsbeginsel of Dienstenrichtlijn
  • Hof van Justitie lanceert nieuwe website

Hof van Justitie toetst Deense volkshuisvestingswet aan discriminatieverbod

In een arrest van de Grote kamer heeft het Hof van Justitie geoordeeld over de vraag of de Deense wet op de volkshuisvesting directe of indirecte discriminatie op grond van etnische afstamming vormt. Hoewel het Hof dit oordeel uiteindelijk aan de nationale (Deense) rechter laat, omdat het gaat om de interpretatie van Deens recht, geeft het Hof aan de nationale rechter wel enkele concrete handvatten voor deze beoordeling.

Op grond van de Deense wet op de volkshuisvesting moeten op 1 januari 2030 ontwikkelingsplannen worden vastgesteld om het percentage sociale gezinswoningen te verminderen in de “transformatiegebieden”. Deze gebieden worden ten eerste gekenmerkt door een ongunstige sociaal-economische situatie wat betreft werkloosheid, criminaliteit, onderwijs en/of gemiddeld inkomen, en ten tweede door het feit dat het aandeel “immigranten en hun nakomelingen uit niet-westerse landen” de afgelopen vijf jaar tot boven de 50% is gestegen.

De ontwikkelingsplannen hebben tot gevolg dat een deel van de huurovereenkomsten voor sociale gezinswoningen in de “transformatiegebieden” in Slagelse en Kopenhagen is opgezegd. Enkele getroffen huurders en een maatschappelijke verhuurder stellen dat het tweede criterium, dat verband houdt met het aandeel “immigranten en hun nakomelingen uit niet-westerse landen”, directe of indirecte discriminatie op grond van etnische afstamming vormt. Dit is op grond van artikel 2, lid 2, onder a) en b) van richtlijn 2000/43 verboden. De Deense rechter stelt vragen aan het Hof over de uitleg hiervan.

Eerst stelt het Hof vast dat het Deense stelsel voor sociale gezinswoningen een gebied betreft dat binnen de werkingssfeer van richtlijn 2000/43 valt, mits de nationale rechter vaststelt dat de terbeschikkingstelling van woningen in ruil voor huur moet worden beschouwd als een dienst die tegen vergoeding wordt verricht.

Vervolgens beoordeelt het Hof het bestaan van directe discriminatie. Er is sprake van directe discriminatie op grond van etnische afstamming, indien iemand om redenen van etnische afstamming ongunstiger wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie.

Het Hof overweegt dat het criterium dat verband houdt met het aandeel “immigranten en hun nakomelingen uit niet-westerse landen”, een doorslaggevende rol lijkt te spelen bij de aanwijzing van de “transformatiegebieden”. Het verschil in behandeling lijkt hoofdzakelijk te berusten op dit criterium. Aangezien dit criterium is vastgesteld in het Deense recht, dient de verwijzende rechter zich daarover uit te spreken. Het is dus aan de nationale rechter om te onderzoeken of dit criterium een verschil in behandeling op grond van de etnische afstamming van de meerderheid van de bewoners van deze gebieden inhoudt, waardoor deze bewoners minder gunstig worden behandeld dan de bewoners van vergelijkbare gebieden waar het percentage immigranten niet tot boven de 50% is gestegen.

Wat het bestaan van een “ongunstiger behandeling” betreft, zal de verwijzende rechter de gevolgen moeten onderzoeken die voor alle inwoners in een woongebied voortvloeien uit de aanwijzing van dit gebied als “transformatiegebied”. Wel overweegt het Hof dat het erop lijkt dat bewoners van transformatiegebieden een groter risico lopen dat hun huurovereenkomsten voortijdig worden opgezegd dan bewoners van kwetsbare woongebieden die worden gekenmerkt door een problematische sociaaleconomische situatie die op zijn minst vergelijkbaar is met die in de transformatiegebieden, maar waar het aandeel immigranten niet tot boven de 50% is gestegen. Een minder gunstige behandeling op grond van etnische afkomst kan ook blijken uit de beledigende of stigmatiserende aard van bepaalde kwalificaties die worden gebruikt in wetgeving of voorbereidende werkzaamheden.

Indien de nationale rechter vaststelt dat de Deense wet geen directe discriminatie vormt, moet hij nagaan of deze wet indirecte discriminatie oplevert. Daarvan is sprake als de wet weliswaar ogenschijnlijk neutraal is geformuleerd of wordt toegepast, maar in de praktijk een bijzonder nadeel veroorzaakt voor personen van bepaalde etnische groepen. Dit nadeel hoeft niet noodzakelijkerwijs maar één etnische afstamming te raken.

Mocht de nationale rechter vaststellen dat de betrokken wet een dergelijk bijzonder nadeel veroorzaakt, dan moet hij onderzoeken of deze bepaling en het bestreden criterium objectief gerechtvaardigd kan worden door een legitiem doel en of de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel. Dat laatste impliceert ook onderzoek of de regeling stricto sensu evenredig is, dat wil zeggen dat de verwijzende rechter moet nagaan of de door de regeling veroorzaakte nadelen niet onevenredig zijn aan de aangevoerde doelstellingen en of zij niet buitensporig afbreuk doet aan de legitieme belangen van de inwoners van de transformatiegebieden. Dit alles is weliswaar aan de nationale rechter om te beoordelen, maar uit het arrest blijkt onmiskenbaar de kritische houding van het Hof ten aanzien van de Deense wet.

Bron: arrest van het Hof van Justitie van 18 december 2025 in zaak C-417/23 met perscommuniqué


Hof van Justitie: het opleggen van minimumtarieven voor de levering van boeken moet worden getoetst aan het vrij verkeer van goederen

Naar aanleiding van prejudiciële vragen in een (Franse) procedure gestart door Amazon EU, heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat een nationale maatregel die minimumtarieven oplegt voor de levering van boeken, uitsluitend moet worden beoordeeld in het licht van het vrije verkeer van goederen. Een dergelijke maatregel valt buiten de Dienstenrichtlijn en wordt niet gekwalificeerd als een ‘verkoopmodaliteit’.

Amazon EU heeft bij de hoogste Franse bestuursrechter beroep ingesteld tot nietigverklaring van het besluit van 4 april 2023 betreffende het minimumtarief voor de levering van boeken (“besluit”). Volgens dit besluit geldt een minimumtarief van €3 voor de levering bij elke bestelling van minder dan €35. Amazon EU voert aan dat deze regeling primair in strijd is met richtlijn 2000/31 (“richtlijn inzake elektronische handel”) en subsidiair met richtlijn 2006/123 (“Dienstenrichtlijn”), alsook met het vrije verkeer van goederen. De Franse regering betoogt daarentegen dat de nationale regeling is vastgesteld om de verscheidenheid in uitgevers en de culturele verscheidenheid te behouden, zodat deze regeling buiten de werkingssfeer van deze richtlijnen valt.

Naar aanleiding van prejudiciële vragen van de Franse rechter oordeelt het Hof dat, voor zover de bestreden nationale maatregel tot doel heeft de culturele verscheidenheid te behouden, de verenigbaarheid van deze maatregel met het Unierecht niet in het licht van een van deze twee richtlijnen kan worden getoetst. De Uniewetgever heeft nationale maatregelen ter bescherming of bevordering van de culturele of linguïstische verscheidenheid en het pluralisme van de media namelijk uitgesloten van de werkingssfeer van de Dienstenrichtlijn. Hetzelfde geldt voor de richtlijn inzake elektronische handel.

Dit neemt niet weg dat moet worden nagegaan of de bestreden maatregel in overeenstemming is met het primaire Unierecht, in het bijzonder met de artikelen 34 en 56 VWEU. Het Hof overweegt dat, aangezien de nationale maatregel (door minimumtarieven op te leggen aan boekdetailhandelaren) van invloed is op de totale verkoopprijs van boeken, dat wil zeggen van goederen, de maatregel uitsluitend moet worden getoetst in het licht van het vrije verkeer van goederen.

De nationale maatregel kan, aldus het Hof, niet worden beschouwd als een ‘verkoopmodaliteit’ als bedoeld in het bekende arrest Keck en Mithouard (gevoegde zaken C-267/91 en C-268/91). Hoewel de maatregel op alle boekdetailhandelaren van toepassing is, heeft deze maatregel namelijk een bijzonder negatief effect op de verkoop op afstand, aangezien die maatregel een verhoging van de totale prijs van het boek inhoudt die de koper moet betalen om het boek buiten deze winkels om te verkrijgen. De maatregel kan dus een grotere invloed hebben op marktdeelnemers uit andere lidstaten, die minder goed in staat zijn om op afstand bestelde boeken in die winkels af te leveren, dan op marktdeelnemers uit Frankrijk. De vastlegging van dergelijke tarieven kan dus de toegang tot de markt voor boeken afkomstig uit andere lidstaten sterker belemmeren en vormt dus een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking in de zin van artikel 34 VWEU. Of de Franse maatregel gerechtvaardigd kan worden om dwingende redenen van algemeen belang, vertelt het arrest van het Hof niet. Dat zal ongetwijfeld aan de orde komen bij de Franse rechter.

Bron: arrest van het Hof van Justitie van 18 december 2025 in zaak C-366/24 met perscommuniqué


Afdeling Bestuursrechtspraak stelt prejudiciële vragen over de uitleg van de vereenvoudigde aanvraagprocedure van de Geneesmiddelenrichtlijn

Op 24 december 2025 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State prejudiciële vragen gesteld over de uitleg van artikel 10ter van de Geneesmiddelenrichtlijn. De Afdeling wil van het Hof uitsluitsel over de vraag of de eenvoudige vergunningsprocedure voor het in de handel brengen van geneesmiddelen meerdere keren mag worden toegepast.

Het College ter beoordeling van geneesmiddelen (“CBG”) heeft in afzonderlijke besluiten handelsvergunningen verleend aan Laboratorios Cinfa voor een combinatiegeneesmiddel waarin de werkzame stoffen ezetimibe en atrovastatine zijn samengevoegd. Eerder had het CBG ook al een handelsvergunning verleend aan Organon voor dezelfde combinatie werkzame stoffen in haar geneesmiddel. Het CBG heeft in beide gevallen de eenvoudige procedure gevolgd op grond van artikel 10ter van richtlijn 2001/83/EG, zoals gewijzigd bij richtlijn 2004/27/EG (“Geneesmiddelenrichtlijn”). Deze richtlijn bepaalt dat een eenvoudige procedure kan worden gevolgd als een aanvraag wordt gedaan voor een geneesmiddel waarbij de werkstoffen al langere tijd als afzonderlijke geneesmiddelen zijn geregistreerd. In dat geval hoeft alleen te worden aangetoond dat de combinatie van de werkzame stoffen werkt en veilig is voor patiënten.

Organon is het niet eens met de handelsvergunningen die het CBG aan Laboratorios Cinfa heeft verleend. De rechtbank Noord-Holland stelde Organon in het gelijk. Naar het oordeel van de rechtbank kan de eenvoudige vergunningsprocedure maar één keer worden toegepast op grond van de Europese Geneesmiddelenrichtlijn. Om die reden heeft de rechtbank de handelsvergunningen verleend aan Laboratorios Cinfa herroepen.

In hoger beroep constateert de Afdeling dat niet duidelijk is of de eenvoudige vergunningsprocedure meer dan één keer mag wordt toegepast voor geneesmiddelen met dezelfde combinatie van werkzame stoffen. De Europese Geneesmiddelenrichtlijn wordt op dit punt verschillend uitgelegd. Binnen de CMDh, een overlegorgaan die vragen behandelt met betrekking tot handelsvergunningen op basis van de Geneesmiddelenrichtlijn, bestaat een ruime meerderheid voor het meervoudig gebruik van de procedure van artikel 10ter. Het standpunt van de Europese Commissie en een uitspraak van de Spaanse rechter op 14 mei 2024 sluiten aan bij deze uitleg.

Om uiteenlopende rechtspraak te voorkomen, heeft de Afdeling prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie. Zij wil van het Hof uitsluitsel over de vraag of de eenvoudige vergunningsprocedure meerdere keren mag worden toegepast. In dit verband rijst ook de vraag welke betekenis moet worden toegekend aan de term ‘met therapeutisch oogmerk’ in artikel 10ter van de Geneesmiddelenrichtlijn. De Afdeling stelt daarom ook een tweede vraag, namelijk of voor het antwoord op de eerste vraag de aangevraagde therapeutische indicatie voor het volgende gecombineerde geneesmiddel relevant is.

Het CBG werd in deze zaak bijgestaan door Marije Batting en Georges Dictus.

Bron: verwijzingsuitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 24 december 2025 in zaak ECLI:NL:RVS:2025:6395 met persbericht 


Afdeling bestuursrechtspraak: afwijzen exploitatievergunningen passagiersvaart niet in strijd met rechtszekerheidsbeginsel of Dienstenrichtlijn

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam de aanvragen van Amsterdam Canal Boats om exploitatievergunningen voor de passagiersvaart terecht heeft afgewezen. Van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel of de Dienstenrichtlijn is geen sprake.

Voorgeschiedenis

Deze zaak kent een relatief lange voorgeschiedenis. Amsterdam Canal Boats heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (“college”) op 7 november 2016 verzocht voor vijf vaartuigen een exploitatievergunning te verlenen voor het vervoeren van passagiers. Volgens het college kon geen vergunning worden verleend op basis van een vergunningstop.

Bij uitspraak van 12 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2958, heeft de Afdeling geoordeeld dat een vergunningstop voor onbepaalde tijd niet is toegestaan. Naar aanleiding van die uitspraak heeft de rechtbank op 13 december 2018 het beroep van Amsterdam Canal Boats gegrond verklaard en het college opgedragen nieuwe besluiten te nemen. Bij het besluit van 22 januari 2019 heeft het college opnieuw het bezwaar van Amsterdam Canal Boats ongegrond verklaard. Daarbij heeft het college verwezen naar de Regeling uitgifteronde 2022 voor exploitatievergunningen passagiersvaart (“Regeling”).

De rechtbank heeft het beroep van Amsterdam Canal Boats tegen die afwijzing gegrond verklaard. Volgens de rechtbank heeft Amsterdam Canal Boats haar aanvragen ingediend voordat de vergunningstop gold en had het college de aanvragen niet mogen afwijzen op grond van de Regeling. Volgens de rechtbank mocht het college de aanvragen echter wél afwijzen op grond van artikel 16, eerste lid, van het Reglement voor uitgifte van exploitatievergunningen voor passagiersvaart voor het Amsterdamse binnenwater voor de uitgifteronde 2016 voor het segment Bemand Groot (“GWT-Reglement”). Hierbij verwees de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling van 23 november 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:3408). De rechtbank heeft de gevolgen van het besluit van het college daarom, zelf voorziend, in stand gelaten. Het daartegen gerichte hoger beroep van Amsterdam Canal Boats heeft geleid tot deze uitspraak van de Afdeling van 17 december 2025.

Oordeel Afdeling

De Afdeling oordeelt eerst dat artikel 16, eerste lid van het GWT-Reglement niet in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Eerder heeft de Afdeling al geoordeeld dat het college zich het recht mocht voorbehouden de vergunning in te trekken indien de omzetting van oude vergunningen in rechte geen stand zou houden (ECLI:NL:RVS:2020:452). De Afdeling overwoog toen dat indien het college bevoegd was de vergunning in te trekken, het ook bevoegd zou zijn om op grond van dit artikel de aanvraag af te wijzen.

Vervolgens oordeelt de Afdeling dat artikel 16, eerste lid van het GWT-Reglement ook niet in strijd is met richtlijn 2006/123 (“Dienstenrichtlijn”). Op grond van artikel 10 van de Dienstenrichtlijn moet een vergunningstelsel zijn gebaseerd op criteria die beletten dat de beoordelingsbevoegdheid van bevoegde instanties op willekeurige wijze wordt uitgeoefend. Deze criteria moeten duidelijk, ondubbelzinnig, objectief en vooraf openbaar bekend zijn gemaakt. Uit de regels over de vergunningverlening voor de passagiersvaart volgt dat exploitatievergunningen kunnen worden ingetrokken wanneer een uitspraak van de bestuursrechter ertoe leidt dat meer dan 135 vaartuigen in het segment bemand groot in de grachten zullen varen. Volgens de Afdeling is het dan ook duidelijk dat geen exploitatievergunningen meer zullen worden verleend als het aantal van 135 daardoor wordt overschreden. Dat ook een aanvraag op deze grondslag kan worden geweigerd, maakt dat dit beleid consistent is.

Op basis van het voorgaande oordeelt de Afdeling dat artikel 16, eerste lid van het GWT-Reglement niet onverbindend verklaard moet worden. Het hoger beroep is ongegrond.

Het college is in deze procedure bijgestaan door Bob Jaasma.

Bron: uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 17 december 2015 in zaak ECLI:NL:RVS:2025:6135.

Hof van Justitie lanceert nieuwe website

Het Hof van Justitie heeft drie vernieuwingen doorgevoerd in de vorm van een vernieuwde website, een moderne zoekmachine en een nieuw audiovisueel platform ten dienste van alle EU-burgers. 

Het doel is om het platform gebruiksvriendelijker en toegankelijker te maken. De nieuwe Curia-website biedt innovaties aan met betrekking tot de informatiearchitectuur, het paginaontwerp voor eenvoudige navigatie en een herziening van de content in duidelijke taal. De zoekmachine, InfoCuria, wordt verbeterd in twee fases.

De eerste fase, die op 12 januari 2026 van start is gegaan, ziet erop dat de nieuwe zoekmachine dezelfde functionaliteiten heeft als de meest gebruikte zoekmachines op het internet. De tweede fase zal binnenkort een geavanceerde interface introduceren om tegemoet te komen aan de specifieke behoeften van juridische professionals. Hiermee zullen meer gerichte zoekopdrachten mogelijk worden gemaakt aan de hand van een zoekformulier met meerdere criteria en beschikbare filteropties. Tot slot heeft het Hof een nieuw audiovisueel platform gelanceerd, CVRIA Web TV, waarop meertalige programma’s worden uitgezonden. Dit is ter bevordering van de kennis van het Hof bij het grote publiek en de transparantie, en voor de levering van audiovisueel materiaal aan de media.

Bron: perscommuniqué nr. 1/26 van het Hof van Justitie van 12 januari 2026.

Abonneren nieuwsbrief Europees recht