
In deze nieuwsbrief vindt u een overzicht van belangrijk Europeesrechtelijk nieuws. Wilt u op de hoogte blijven van de laatste ontwikkelingen op het gebied van het Europees recht? Schrijf u dan in voor onze tweewekelijkse nieuwsbrief.

In deze nieuwsbrief:
- Hof van Justitie oordeelt dat de door Hongarije ingevoerde extra mijnbouwvergoeding in strijd is met het EU-recht
- Hof van Justitie oordeelt dat nationale mededingingsautoriteiten de termijn voor onderzoeksfase van de inbreukprocedure onder voorwaarden mogen verlengen
- College van Beroep voor het bedrijfsleven stelt prejudiciële vragen over prijsafstemming op de televisiemarkt
- Rechtbank Amsterdam oordeelt dat besluiten over de geldigheid van exploitatievergunningen van speelautomaten niet voldoende waren gemotiveerd
- Europese Commissie publiceert richtsnoeren voor verordening buitenlandse subsidies
- Europese Commissie wijzigt richtsnoeren ETS-staatssteun
Hof van Justitie oordeelt dat de door Hongarije ingevoerde extra mijnbouwvergoeding in strijd is met het EU-recht
Het Hof van Justitie overweegt dat de Hongaarse extra mijnbouwvergoeding voor ondernemingen die bepaalde basismaterialen winnen of vervaardigen, in strijd is met de vrijheid van vestiging, zoals vastgelegd in artikel 49 VWEU. De nationale maatregel die in deze vergoeding voorziet, vormt een indirect discriminerende maatregel op grond van de zetel van de betrokken ondernemingen.
Hongarije heeft in 2021 twee besluiten vastgesteld die aanvankelijk bedoeld waren voor de duur van de COVID-19-pandemie. Wegens de oorlog in Oekraïne zijn de gevolgen van deze besluiten evenwel herhaaldelijk verlengd. Op grond van het eerste besluit werden referentieprijzen vastgesteld voor vijf basisbouwmaterialen. Ondernemingen die deze materialen boven de referentieprijs verkochten, waren verplicht een extra mijnbouwvergoeding te betalen aan de Hongaarse overheid. Deze vergoeding bedroeg 90% van het verschil tussen de vastgestelde referentieprijs en de verkoopprijs. Het tweede besluit legde aan bepaalde ondernemingen een minimale winningshoeveelheid op om hun winningsrechten te behouden.
De Europese Commissie (“Commissie”) stelt onder meer dat deze maatregelen een beperking van de vrijheid van vestiging, in de zin van artikel 49 VWEU, vormen. De vastgestelde referentieprijzen zijn namelijk lager dan de marktprijzen van de basisbouwmaterialen. In de praktijk konden ondernemingen hierdoor nauwelijks winst maken of moesten zij zelfs met verlies verkopen, aangezien 90% van het prijsverschil moest worden afgedragen. De Commissie stelt verder dat er sprake is van indirecte discriminatie omdat de nationale regeling voornamelijk van toepassing is op ondernemingen die in handen zijn van ondernemingen uit andere lidstaten.
Hongarije stelt daarentegen dat de extra winningsvergoeding een belasting is die is gebaseerd op een neutraal onderscheidingscriterium, namelijk de omzet. Met betrekking tot het verwijt van de Commissie dat dit zou leiden tot indirecte discriminatie, voert Hongarije aan dat dit het gevolg is van de specifieke kenmerken van de Hongaarse markt. Buitenlandse ondernemingen zijn nu eenmaal de grootste marktdeelnemers in de betreffende sector, aldus Hongarije.
Het Hof toetst beide besluiten en de bepalingen van de mijnbouwwet aan de vrijheid van vestiging. Het Hof geeft de Commissie gedeeltelijk gelijk wat betreft de verplichting om een aanvullende mijnbouwvergoeding te betalen en oordeelt dat dit een beperking van de vrijheid van vestiging vormt.
Het Hof komt tot die conclusie omdat de extra winningsvergoeding het noodzakelijkerwijs minder aantrekkelijk of zelfs onmogelijk maakt voor de betrokken ondernemingen om hun vrijheid van vestiging uit te oefenen. Deze vergoeding kan namelijk verhinderen dat de investeringen van de ondernemingen die deze vergoeding moeten betalen, rendabel worden. Ten tweede overweegt het Hof dat de vergoeding weliswaar gebaseerd lijkt op een objectief criterium, maar dat de vergoeding hoofdzakelijk en systematisch gevolgen heeft voor in andere lidstaten gevestigde ondernemingen. Zo moesten in de praktijk slechts vier ondernemingen deze heffing betalen, waarvan drie in handen waren van buitenlandse ondernemingen. De maatregel trof de facto dus vooral buitenlandse investeerders.
Het Hof overweegt om deze redenen dat de regeling leidt tot indirecte discriminatie op grond van de zetel van ondernemingen. De vergoeding vormt dus indirecte discriminatie op grond van de plaats waar de ondernemingen hun zetel hebben. In tegenstelling tot eerdere rechtspraak waarbij het bijvoorbeeld ging om progressieve omzetbelastingen, dient de omzet er in deze zaak niet toe om de hoogte van de vergoeding te bepalen, maar enkel om vast te stellen welke ondernemingen die vergoeding moeten betalen. In casu leidde dit ertoe dat vooral buitenlandse ondernemingen werden verplicht de extra winningsvergoeding te betalen.
Bron: arrest van het Hof van Justitie van 22 januari 2026 in zaak C-144/24 met perscommuniqué
Hof van Justitie bevestigt dat nationale mededingingsautoriteiten de termijn voor onderzoeksfase van inbreukprocedures onder voorwaarden mogen verlengen
Het Hof van Justitie heeft naar aanleiding van prejudiciële vragen overwogen dat nationale mededingingsautoriteiten de termijn voor beëindiging van de onderzoeksfase van inbreukprocedures mogen verlengen, mits dit gebeurt met inachtneming van de rechten van verdediging van de betrokken onderneming. Een besluit tot verlenging moet tijdig worden meegedeeld, naar behoren worden gemotiveerd en aan rechterlijke toetsing kunnen worden onderworpen.
De Italiaanse mededingingsautoriteit (“AGCM”) heeft op 22 maart 2017 een onderzoek ingesteld naar deelname aan een vermeend kartel bij negentien ondernemingen, waaronder Imballaggi Piemontesi (“IP”). Tijdens het onderzoek is de termijn voor de afsluiting van de procedure meerdere keren verlengd door de AGCM, wegens de toenemende complexiteit van het betreffende onderzoek. De AGCM heeft na het onderzoek een sanctie opgelegd aan IP vanwege diens betrokkenheid bij een kartel op de markt van golfkartonvellen.
De verwijzende rechter merkt op dat geen enkele bepaling van Unierecht of nationaal recht voorziet in een dwingende termijn voor de beëindiging van administratieve procedures tot vaststelling van het bestaan van een mededinging verstorende regeling. De toepasselijke nationale regelgeving laat de vaststelling van de duur van de onderzoeksfase over aan de mededingingsautoriteit zelf, afhankelijk van de complexiteit van de zaak. De verwijzende rechter wenst met te vernemen of artikel 101 VWEU, gelezen in samenhang met het algemene beginsel van behoorlijk bestuur, het recht op een doeltreffende voorziening en een eerlijk proces, toestaat dat een mededingingsautoriteit de onderzoekstermijn eenzijdig verlengt wanneer het onderzoek in omvang of complexiteit toeneemt.
Het Hof benadrukt de autonomie van de lidstaten om hun eigen procedurele regels vast te stellen, met inbegrip van regels over onderzoekstermijnen, zolang deze in overeenstemming zijn met het Unierecht. Daarbij moeten de beginselen van effectiviteit, rechtszekerheid en behoorlijk bestuur in acht worden genomen. Een verbod op verlenging voor de onderzoeksfase zou, aldus het Hof, de effectieve handhaving van artikel 101 en artikel 102 VWEU kunnen ondermijnen. Hieruit volgt dat nationale mededingingsautoriteiten de onderzoeksfase van de procedure moeten kunnen verlengen, wanneer dit gerechtvaardigd is door de complexiteit van de zaak.
Aan een dergelijke verlenging zijn echter wel voorwaarden verbonden. Ten eerste moet de verlenging zo spoedig mogelijk en in elk geval voor het verstrijken van de (lopende) beëindigingstermijn aan de betrokken onderneming worden meegedeeld. In het besluit tot verlenging moet de nieuwe termijn worden vastgesteld. Ten tweede moet de verlenging worden gemotiveerd door omstandigheden die het onderzoek ingewikkelder hebben gemaakt dan wat ten tijde van de vaststelling van de oorspronkelijke termijn redelijkerwijs voorzienbaar was. Ten derde moet het uitstel van de termijn onderworpen kunnen worden aan effectieve rechterlijke toetsing
Zelfs wanneer de verlenging een schending van het beginsel van een redelijke termijn oplevert, kan dit slechts tot nietigverklaring van het vaststellingsbesluit leiden als wordt aangetoond dat de schending van de termijn de rechten van de verdediging daadwerkelijk heeft geschaad. Daarnaast moet worden aangetoond dat de betrokken onderneming als gevolg hiervan moeilijkheden heeft ondervonden om zich tegen de aantijgingen van de mededingingsautoriteit te verdedigen. De bewijslast ligt in dat verband bij de betrokken onderneming.
Bron: arrest van het Hof van Justitie van15 januari 2026 in zaak C-588/24
College van Beroep voor het bedrijfsleven stelt prejudiciële vragen over prijsafstemming op de televisiemarkt
In een tussenuitspraak van 3 februari 2026 stelt het College van Beroep voor het bedrijfsleven (“College”) prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie over de vraag of een mededingingsautoriteit de schadelijkheid van de interbrand-concurrentie bij een strekkingsbeperking moet onderzoeken. Het geschil gaat over prijsafstemming voor onlineverkoopprijzen tussen Samsung en zeven detailhandelaren.
De Autoriteit Consument en Markt (“ACM”) heeft in 2020 vastgesteld dat Samsung tussen januari 2013 en december 2018 regelmatig online verkoopprijzen van zeven detailhandelaren bepaalde. Door uitdrukkelijke en herhaalde verzoeken van Samsung aan de detailhandelaren om de adviesverkoopprijs te volgen heeft Samsung de vrijheid van die detailhandelaren beperkt om hun eigen prijsbeleid te voeren. De detailhandelaren volgden de verzoeken van Samsung op en vroegen Samsung op te treden tegen detailhandelaren die een lager prijs hanteerden. Dit levert volgens de ACM een verboden beperking van de mededinging op, op grond waarvan zij aan Samsung een boete van bijna 40 miljoen euro heeft opgelegd. De rechtbank Rotterdam heeft het door Samsung ingestelde beroep tegen dit boetebesluit ongegrond verklaard. Tegen de uitspraak van de rechtbank heeft Samsung hoger beroep ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (“College”).
De rechtbank oordeelde dat de ACM de gedragingen van Samsung terecht heeft gekwalificeerd als een verticale overeenkomst en/of onderling afgestemde feitelijke gedraging. Hierbij ging het om gedragingen met een mededingingsbeperkende strekking, oftewel een strekkingsbeperking. In het geval van strekkingsbeperkingen hoeven de werkelijke gevolgen voor de mededinging niet te worden onderzocht. De ACM heeft in dat kader alleen onderzocht of de afstemmingen schadelijk kunnen zijn voor de concurrentie tussen de verkopers van Samsung-televisies (intrabrand-concurrentie).
Het College oordeelt - onder verwijzing naar onder meer het arrest Super Bock Bebidas - dat duidelijk sprake was van een verticale prijsafstemming tussen Samsung en de zeven detailhandelaren, waarbij de vrijheid van de detailhandelaren om hun verkoopprijs te bepalen werd beperkt. In zoverre bevestigt het College de uitspraak van de rechtbank. Daarbij benadrukt het College dat voor het aannemen van verticale prijsafstemming geen contractuele dwangmaatregelen of financiële prikkels vereist zijn, zolang sprake is van een overeenstemmende wil die uit gedragingen kan worden afgeleid.
Verder stelt Samsung dat de ACM niet alleen de intrabrand-concurrentie had moeten onderzoeken, maar ook had moeten bezien of de prijsafstemming schadelijk kan zijn voor de concurrentie tussen Samsung-televisies en televisies van andere merken (interbrand-concurrentie). Volgens de ACM is dat bij een strekkingsbeperking niet nodig.
Aangezien er binnen het Europese recht nog geen duidelijkheid bestaat over deze kwestie, wendt het College zich met prejudiciële vragen tot het Hof van Justitie. Het College wil daarbij weten of een mededingingsautoriteit, zoals de ACM, bij een strekkingsbeperking ook de schadelijkheid voor de interbrand-concurrentie moet onderzoeken. Meer concreet vraagt het College (i) of dit onderzoek in beginsel vereist is, en zo ja (ii) of dat onderzoek in alle gevallen moet plaatsvinden of kan worden beperkt (bijvoorbeeld bij hardcore beperkingen) en (iii) op welke concurrentieparameters het onderzoek zich dan moet richten, zoals marktaandeel en marktstructuur.
Bron: uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 3 februari 2026 in zaak ECLI:NL:CBB:2026:34
Rechtbank Amsterdam oordeelt dat besluiten over de geldigheid van exploitatievergunningen van speelautomaten niet voldoende waren gemotiveerd
Op 12 januari heeft de rechtbank Amsterdam in twee tussenuitspraken geoordeeld dat de besluiten van de gemeente Amsterdam, die de geldigheidsduur van de vergunningen van exploitanten van speelautomaten aanpasten van onbepaalde naar bepaalde tijd, gebreken bevatten. De burgemeester dient onder meer te onderzoeken en te onderbouwen waarom het vergunningsplafond in die besluiten een geschikte maatregel is om het beoogde doel, het voorkomen van een kansspelverslaving, te bereiken, en niet verder gaat dan nodig om dat doel te bereiken.
In 2022 is de Verordening kansspelautomaten en speelautomatenhallen Amsterdam (“Verordening”) in werking getreden, waarin is vastgelegd dat er in Amsterdam ten hoogste 21 exploitatievergunningen voor speelautomatenhallen kunnen worden verleend. De Verordening is opgesteld ter invulling van de bevoegdheid die de burgemeester toekomt op grond van de Wet op de kansspelen. Als overgangsrecht is in de Verordening geregeld dat de burgemeester zo snel mogelijk bepaalt op welk tijdstip de vergunningen, die ten tijde van de inwerkingtreding van de Verordening van kracht waren, aflopen. In 2023 heeft de burgemeester van Amsterdam de geldigheidsduur van de vergunningen van exploitanten van speelautomaten aangepast van onbepaalde naar bepaalde tijd.
De rechtbank stelt eerst vast dat, anders dan eiseres betoogt, exploitatievergunningen voor speelautomatenhallen in Amsterdam als gevolg van het in de Verordening ingestelde plafond aan te merken zijn als beleidsmatige schaarse rechten. Eiseres voert verder aan dat het instellen van een vergunningenplafond een beperking oplevert van het in artikel 56 VWEU neergelegde recht op het vrij verrichten van diensten. De rechtbank dient na te gaan of deze beperking evenredig is. Dit is het geval indien de beperking geschikt is om de verwezenlijking van de doelen van algemeen belang te waarborgen en niet verder gaat dan nodig om dat doel te bereiken.
Ten eerste moet de burgemeester aannemelijk maken dat het vergunningenplafond geschikt is om voorkoming van kansspelverslaving te bereiken en dat het kansspelstelsel horizontaal consistent wordt toegepast. Volgens de rechtbank is het rapport dat hiertoe is overgelegd onvoldoende onderbouwd. De burgemeester heeft onvoldoende gemotiveerd hoe de beperkingen zich verhouden tot het landelijke kansspelbeleid, dat juist inzet op verbreding en kanalisatie naar legaal aanbod. Er wordt namelijk geen onderscheid gemaakt tussen fysieke speelautomatenhallen, online speelautomaten, speelautomaten in horecagelegenheden of speelautomaten in bijvoorbeeld Holland Casino.
Ten tweede oordeelt de rechtbank dat de burgemeester ook onvoldoende heeft gemotiveerd dat het vergunningenplafond niet verder gaat dan noodzakelijk. Ontwikkelingen binnen de branche, zoals met name de verschuiving naar online aanbod, zijn van invloed op de vraag of er een noodzaak bestaat voor een vergunningenplafond. Dit had de burgemeester moeten betrekken in het onderzoek voorafgaand aan de genomen besluiten.
De rechtbank geeft de burgemeester de gelegenheid om de gebreken in de bestreden besluiten binnen twaalf weken te herstellen.
Bron: tussenuitspraken van de rechtbank Amsterdam van 12 januari 2026 in zaken ECLI:NL:RBAMS:2026:156 en ECLI:NL:RBAMS:2026:157
Europese Commissie publiceert richtsnoeren voor verordening buitenlandse subsidies
Op 9 januari heeft de Europese Commissie (“Commissie”) de richtsnoeren voor de Verordening Buitenlandse Subsidies (verordening (EU) 2022/2560) gepubliceerd, die bepaalde aspecten van de verordening verduidelijkt en beoogt eerlijke mededinging in de interne markt de bevorderen. De Verordening Buitenlandse Subsidies stelt de Commissie in staat verstoringen als gevolg van buitenlandse subsidies op de interne markt aan te pakken, om een gelijk speelveld voor alle ondernemingen te bewerkstelligen.
De belangrijkste elementen van de richtsnoeren zien op:
- De beoordeling van subsidies die als verstorend kunnen worden beschouwd;
- De beoordeling van en verstoring in met name openbare aanbestedingsprocedures;
- Een afwegingstoets van de negatieve effecten van een verstorende buitenlandse subsidie tegen eventuele positieve effecten
- Het gebruik van een aanmeldingsmechanisme voor concentraties en openbare aanbestedingsprocedures.
Bron: persbericht Europese Commissie van 9 januari 2026 (link)
Europese Commissie wijzigt richtsnoeren ETS-staatssteun
De Europese Commissie (“Commissie”) heeft op 23 december 2025 de richtsnoeren betreffende staatssteunmaatregelen in het kader van het systeem voor de handel in broeikasgasemissierechten na 2021 (“richtsnoeren ETS-staatssteun”) aangepast. De wijziging breidt de steunmogelijkheden uit naar extra energie-intensieve sectoren die worden geraakt door indirecte emissiekosten. Het doel van de wijziging is om het risico op koolstoflekkage te beperken en het concurrentievermogen van de EU-industrie te beschermen, terwijl de prikkels voor decarbonisatie behouden blijven.
Met de herziening worden de volgende wijzigingen ingevoerd:
- Uitbreiding van de lijst met bedrijfstakken die voor compensatie in aanmerking komen;
- Verhoging van de steunintensiteit van 75% naar 80% voor bedrijfstakken die vóór de wijziging al in aanmerking kwamen;
- De mogelijkheid om bedrijfstakken of deeltakken die niet in aanmerking komen aan te melden als er een reëel risico op koolstoflekkage bestaat;
- De verplichting voor grote steunbegunstigden om bij te dragen aan de groene transitie;
Actualisatie van CO2-emissiefactoren en geografische gebieden voor de periode van 2026-2030.
Bron: persbericht Europese Commissie van 23 december 2025 (link)