Ga naar hoofdinhoud
Home Kennis EU-alert 23 april 2026

In deze nieuwsbrief vindt u een overzicht van belangrijk Europeesrechtelijk nieuws. Wilt u op de hoogte blijven van de laatste ontwikkelingen op het gebied van het Europees recht? Schrijf u dan in voor onze tweewekelijkse nieuwsbrief.

Abonneren nieuwsbrief Europees recht

In deze nieuwsbrief:

  • Hof van Justitie: nationale wetgeving die het niet toestaat dat onderdanen die hun recht op vrij verkeer hebben uitgeoefend hun gendergegevens wijzigen is in strijd met Unierecht
  • Hof van Justitie verduidelijkt definitie van ‘onderneming’ voor het toewijzen van staatssteun aan kmo’s
  • Hof van Justitie: Belgische aanvullende inkomstenbelasting van niet-ingezetenen is in strijd met vrij verkeer van werknemers
  • Afdeling bestuursrechtspraak: minister mocht beslistermijn voor asielverzoeken niet met negen maanden verlengen
  • Europese Commissie keurt nieuwe staatssteunregels goed ter stimulering van het gebruik van duurzamere vervoerswijzen

Hof van Justitie: nationale wetgeving die het niet toestaat dat onderdanen die hun recht op vrij verkeer hebben uitgeoefend hun gendergegevens wijzigen is in strijd met Unierecht

Het Hof van Justitie oordeelt dat een nationale regeling die niet toestaat dat onderdanen die het recht op vrij verkeer en verblijf hebben uitgeoefend hun gendergegevens wijzigen in strijd is met het Unierecht. Een discrepantie tussen het uiterlijk van een persoon en de geslachtsgegevens die op zijn identiteitskaart staan vermeld, kan een concreet risico meebrengen dat die persoon twijfels moeten wegnemen omtrent zijn identiteit en met betrekking tot de echtheid van het identiteitsdocument dat hij overlegt of de waarheidsgetrouwheid van de daarin vermelde gegevens, hetgeen een belemmering kan vormen van het vrij verkeer. Daarnaast verplicht het recht op privéleven, zoals verankerd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (“Handvest”), lidstaten ertoe de genderidentiteit te beschermen en waarborgen.

Een Bulgaarse onderdaan was bij diens geboorte als man geregistreerd met een naam, persoonlijk identificatienummer en identiteitsdocument die met dit geslacht overeenkomen. Zij heeft zich echter altijd vrouw gevoeld. Momenteel woont ze in Italië, waar ze met een hormoonbehandeling is begonnen. In 2017 verzocht ze de Bulgaarse rechter te verklaren dat zij een persoon van het vrouwelijke geslacht is en te gelasten dat haar voornaam, patroniem en achternaam zouden worden gewijzigd en dat deze wijziging zou worden vermeld in haar geboorteakte. Ondanks de medische adviezen en het deskundigenonderzoek waarin haar genderidentiteit als vrouw is bevestigd, is haar verzoek in eerste en tweede aanleg afgewezen.

De Bulgaarse wetgeving voorziet niet in de mogelijkheid om de gendergegevens, zoals geslacht, naam en identificatienummer, op psychologische gronden te wijzigen. Daarnaast heeft het Bulgaars grondwettelijk hof eerder geoordeeld dat de term ‘geslacht’ in de Bulgaarse grondwet alleen in de biologische betekenis ervan kan worden opgevat omdat de morele en/of religieuze regels en beginselen zouden moeten prevaleren boven het belang van de transgenders. De verwijzende rechter vraagt het Hof naar de verenigbaarheid van de Bulgaarse wetgeving met het Europees recht.

Het Hof oordeelt dat een nationale regeling die geen wijziging toestaat van de gendergegevens van een van zijn onderdanen die zijn recht op vrij verkeer en verblijf heeft uitgeoefend, in strijd is met het Unierecht. Hoewel de burgerlijke staat van personen, waaronder de regels over de wijziging van de naam en genderidentiteit van een persoon, tot de bevoegdheid van de lidstaten behoort, moeten lidstaten het Unierecht in acht nemen bij de uitoefening van die bevoegdheid.

Een discrepantie tussen het uiterlijk van een persoon en de gendergegevens die op zijn identiteitskaart staan vermeld, kan hem ertoe verplichten om twijfels te moeten wegnemen met betrekking tot zijn identiteit en de echtheid van het identiteitsdocument dat hij overlegt. Dit kan een belemmering vormen voor de uitoefening van het recht op vrij verkeer en verblijf, neergelegd in artikel 21 VWEU. Wanneer een lidstaat weigert een wijziging van genderidentiteit te erkennen, wordt de uitoefening van dat recht belemmerd.

Een beperking van het vrije verkeer van personen kan worden gerechtvaardigd indien zij is gebaseerd op objectieve overwegingen van algemeen belang en evenredig is aan het rechtmatig nagestreefde doel. Daarnaast moet de maatregel in overeenstemming zijn met het Handvest, in het bijzonder het recht op privéleven zoals neergelegd in artikel 7, dat dezelfde inhoud en reikwijdte heeft als artikel 8 van het EVRM. Uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat de staten verplicht zijn om te voorzien in een duidelijke, voorzienbare procedure voor de juridische erkenning van de genderidentiteit waarmee gendergegevens en dus naam, patroniem, voornaam en persoonlijk identificatienummer op snelle, transparante en toegankelijke wijze kunnen worden aangepast in officiële documenten. Een regeling die niet toestaat dat onderdanen die hun recht op vrij verkeer en verblijf hebben uitgeoefend hun gendergegevens wijzigen, is dus in strijd met artikel 21 VWEU en artikel 7 van het Handvest.

Tot slot oordeelt het Hof dat het Unierecht zich ertegen verzet dat een nationale rechter gebonden is aan de uitleg die een grondwettelijk hof aan het nationale recht geeft, indien die uitleg in strijd is met die van het (Europese) Hof.

Bron: arrest van het Hof van Justitie van 12 maart 2026 in zaak C-43/24 met perscommuniqué.

Hof van Justitie verduidelijkt definitie van ‘onderneming’ voor het toewijzen van staatssteun aan kmo’s

Het Hof van Justitie oordeelt dat het enkel bezitten van een zeggenschapsdeelneming onvoldoende is om aan de definitie van onderneming in de zin van bijlage I bij verordening nr. 651/2014 (“de verordening”) te voldoen.

Outletico, een vennootschap naar Lets recht, heeft in 2021 bij de Letse belastingdienst steun aangevraagd voor kleine en middelgrote ondernemingen (“kmo’s”) die door de COVID-19-crisis waren getroffen. De belastingdienst keurde de aanvragen in besluiten van 30 april en 17 mei 2021 goed en kende de steunbedragen toe. Op 25 maart 2022 heeft de belastingdienst deze besluiten ongeldig verklaard en de uitgekeerde steunbedragen teruggevorderd. Kort gezegd stelde de belastingdienst dat Outletico via haar uiteindelijk aandeelhouder, een natuurlijk persoon, verbonden was met twee andere ondernemingen waarin die natuurlijk persoon een belang van respectievelijk 75 en 100% hield. Volgens de belastingdienst moet Outletico daarom, als lid van een groep van verbonden ondernemingen, als 'grote onderneming' worden beschouwd. Daarom moest Outletico de voor kmo’s bedoelde steunbedragen terugbetalen. Na een onsuccesvol bezwaar stapte Outletico naar de Letse bestuursrechter.

In hoger beroep vraagt de verwijzende rechter het Hof of een natuurlijke persoon moet worden aangemerkt als onderneming in de zin van bijlage I bij de verordening omdat hij zeggenschapsdeelnemingen in ondernemingen bezit.

Het is vaste rechtspraak dat het begrip ‘onderneming’ elke entiteit omvat die een economische activiteit uitoefent, dat geldt ook voor natuurlijke personen. Het enkele bezit van zeggenschapsdeelnemingen is echter onvoldoende om als economische activiteit aan te merken, wanneer dit bezit beperkt is tot de uitoefening van de aan de hoedanigheid van aandeelhouder of vennoot verbonden rechten. Het Hof komt tot de conclusie dat een entiteit, met inbegrip van natuurlijke personen, die deelnemingen in een vennootschap bezit, slechts als onderneming kan worden aangemerkt indien deze haar in staat stellen zeggenschap uit te oefenen over een vennootschap en zij deze zeggenschap daadwerkelijk uitoefent door zich direct of indirect bezig te houden met het bestuur van deze vennootschap. Het Hof noemt enkele aanwijzingen van het uitoefenen van zeggenschap, waaronder het bekleden van functies in de raad van bestuur of toezichthoudende organen, het bezit van deelnemingen in verschillende vennootschappen die gecoördineerd handelen of een gemeenschappelijk doel nastreven, en het aankondigen van een commerciële strategie die via de vennoot wordt uitgevoerd.

Volgens het Hof dient de verwijzende rechter te onderzoeken of de natuurlijke persoon daadwerkelijk zeggenschap uitoefent. Indien dit het geval is dient hij te worden beschouwd als een onderneming. In onderhavig geval zou dit betekenen dat Outletico wordt geacht verbonden te zijn met de andere ondernemingen waarin de natuurlijke persoon deelnemingen bezit. Indien de natuurlijke persoon niet als onderneming beschouwd kan worden dient de verwijzende rechter na te gaan of is voldaan aan de voorwaarden van artikel 3, lid 3, vierde alinea van bijlage I bij de verordening.

Bron: arrest van het Hof van Justitie van 19 maart 2026 in zaak C-870/24.

Hof van Justitie: Belgische aanvullende inkomstenbelasting van niet-ingezetenen is in strijd met vrij verkeer van werknemers

Het Hof van Justitie oordeelt dat de Belgische inkomstenbelasting voor personen die geen fiscaal inwoner van België zijn, in strijd is met het vrij verkeer van werknemers. Dit geldt wanneer de daaruit voortvloeiende belastingdruk zwaarder is dan de belastingdruk die op fiscale inwoners rust uit hoofde van een vergelijkbare aanvullende gemeentebelasting.

De Belgische inkomstenbelasting onderwerpt personen die geen fiscale inwoner van België zijn aan een aanvullende belasting op de inkomstenbelasting tussen 6 en 7%. Deze belasting wordt vastgesteld naar analogie van de aanvullende gemeentebelasting die door fiscale inwoners verschuldigd is, en wordt geheven naar evenredigheid van de belasting die verschuldigd is over de behaalde of verkregen inkomsten. De verwijzende rechter vraagt het Hof naar de verenigbaarheid van de aanvullende belasting met het vrij verkeer van werknemers, neergelegd in artikel 45 VWEU. Artikel 45, lid 2 VWEU verbiedt elke vorm van directe en indirecte discriminatie op grond van de nationaliteit tussen de werknemers van lidstaten.

Het Hof oordeelt dat de invoering van de aanvullende belasting geen beperking met zich mee zou brengen als daarmee wordt bewerkstelligd dat fiscale en niet-fiscale inwoners aan dezelfde belastingdruk worden onderworpen. Echter, wanneer Belgische gemeenten of agglomeraties de betrokken aanvullende gemeentebelasting niet hebben ingevoerd of het tarief op een lager niveau hebben vastgesteld dan het tarief van de betrokken aanvullende belasting voor niet-fiscale inwoners, kan sprake zijn van een hogere belastingdruk voor personen die geen fiscaal inwoner zijn. Een dergelijke ongelijke behandeling ten nadele van personen die geen fiscaal inwoner zijn vormt een beperking van het vrije verkeer van werknemers.

De beperking van het vrije verkeer van werknemers kan worden gerechtvaardigd indien wordt voldaan aan het geschiktheids- en noodzakelijkheidsvereiste. Het doel van de nationale regeling is om te voorkomen dat fiscale inwoners worden gediscrimineerd ten opzichte van niet-fiscale inwoners, door niet-fiscale inwoners op vergelijkbare wijze en naar evenredigheid van hun Belgische inkomsten te laten bijdragen aan de financiering van openbare diensten.

Hoewel het voorgaande op zich een legitieme doelstelling is, stelt het Hof echter vast dat de nationale maatregel er niet toe leidt dat fiscale en niet-fiscale inwoners van België aan dezelfde belastingdruk worden onderworpen, maar in sommige situaties juist een verhoogde belastingdruk kan opleggen aan niet-inwoners. Daarmee is de maatregel niet geschikt om de doelstelling te verwezenlijken en gaat verder dan noodzakelijk is om die doelstelling te bereiken. Een beperking van het vrije verkeer van werknemers ten nadele van fiscale niet-inwoners kan niet worden gerechtvaardigd door de doelstelling om omgekeerde discriminatie van fiscale inwoners te voorkomen. Het vrije verkeer van werknemers zou daarmee worden uitgehold. In een dergelijk geval zou de bescherming door een lidstaat van zijn eigen onderdanen voorrang krijgen boven die van onderdanen van andere lidstaten.

In dit geval kan de beperking van het vrij verkeer van werknemers niet worden gerechtvaardigd als komt vast te staan dat niet-fiscale inwoners daadwerkelijk aan een hogere belastingdruk zijn onderworpen. Het Hof laat het aan de verwijzende rechter dat te onderzoeken.

Bron: arrest van het Hof van Justitie van 12 maart 2026 in zaak C-119/24.

Abonneren nieuwsbrief Europees recht