Home Kennis EU-alert - 21 december 2023

In deze nieuwsbrief vindt u een overzicht van belangrijk Europeesrechtelijk nieuws. Wilt u op de hoogte blijven van de laatste ontwikkelingen op het gebied van het Europees recht? Schrijf u dan in voor onze tweewekelijkse nieuwsbrief.

Abonneren nieuwsbrief Europees recht

In deze nieuwsbrief:

  • Hof van Justitie: verjaringstermijn van Verordening 2015/1989 geldt niet voor een bevel tot terugvordering van staatssteun door nationale rechters
  • Het Hof bevestigt dat de Commissie niet heeft aangetoond dat een Luxemburgse fiscale ruling Amazon een selectief voordeel verschafte
  • De Europese Commissie publiceert richtsnoeren voor duurzaamheidsovereenkomsten in de landbouw
  • De Europese Commissie stelt nieuwe de-minimisverordeningen vast
  • Afdeling stelt prejudiciële vraag over de verenigbaarheid van de verkorte motivering in vreemdelingenzaken met de Unierechtelijke motiveringsplicht
  • Gerechtshof Den Haag: uitblijven van indexering door een bedrijfstakpensioenfonds is niet in strijd met het recht op eigendom
  • ACM beboet vier bedrijven voor verboden marktverdeling wortelen

Hof van Justitie: verjaringstermijn van Verordening 2015/1989 geldt niet voor een bevel tot terugvordering van staatssteun door nationale rechters

In de uitspraak van 7 december jl. bevestigt het Hof dat de verjaringstermijn uit Verordening 2015/1589 (‘Procedureverordening’) niet geldt voor nationale rechters. Zij kunnen ook na het verstrijken van die verjaringstermijn de terugbetaling bevelen van niet overeenkomstig artikel 108, lid 3 VWEU aangemelde staatssteun.

In een procedure voor de Tsjechische hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken rees de vraag of het verstrijken van de verjaringstermijn van artikel 17 lid 1 van Procedureverordening eraan in de weg staat dat een nationale rechter terugbetaling beveelt van niet aangemelde staatssteun.

Artikel 17 lid 1 van de Procedureverordening bepaalt dat de Commissie een termijn van tien jaar heeft om staatssteun terug te vorderen. Hierna wordt de steun als bestaande steun beschouwd en verjaart de bevoegdheid van de Commissie om de steun terug te vorderen. Het Hof oordeelt dat deze verjaringstermijn niet geldt voor de terugvordering in nationale procedures. De Procedureverordening bevat namelijk geen voorschriften over de bevoegdheden en verplichtingen van nationale rechterlijke instanties.

Verder overweegt het Hof, in lijn met eerdere uitspraken, dat de nationale rechter en de Commissie verschillende, elkaar aanvullende taken vervullen in het kader van de handhaving van het staatssteunverbod. Waar het de Commissie is die de verenigbaarheid van de steun met de interne markt beoordeelt, is het de taak van de nationale rechter om toe te zien op de bescherming van de rechten van rechthebbenden wanneer de uit artikel 108 lid 3 voortvloeiende verplichting wordt geschonden. De Procedureverordening is daarom noch direct, noch indirect en evenmin naar analogie van toepassing. Onrechtmatige staatssteun wordt dus niet geregulariseerd door het verstrijken van de verjaringstermijn van artikel 17 lid 1 van Procedureverordening. Het Hof bevestigt, onder verwijzing naar eerdere rechtspraak, dat in een procedure voor de nationale rechter over de toepassing van het EU-recht de nationaalrechtelijke verjaringsregels van toepassing zijn, onder voorbehoud van het doeltreffendheids‑ en het gelijkwaardigheidsbeginsel. In de Nederlandse context betekent dit dat de mogelijkheid om door middel van (herhaalde) ingebrekestellingen de verjaring van civielrechtelijke vorderingen (herhaaldelijk) te stuiten niet kan worden doorkruist met een beroep op de Procedureverordening. Omgekeerd staat de Procedureverordening ook niet in de weg aan de toepassing van de verjaringstermijn van vijf jaar van artikel 3:310 lid 1 BW.

Bron: arrest van het Hof van 7 december 2023, C-700/22


Het Hof bevestigt dat de Commissie niet heeft aangetoond dat een Luxemburgse fiscale ruling Amazon een selectief voordeel verschafte

Het Hof heeft zich op 14 december jl. uitgelaten over de rechtmatigheid van een Luxemburgse fiscale ruling ten behoeve van Amazon in het kader van de Europese staatssteunregels. Het Hof oordeelt dat de Commissie een fout heeft gemaakt bij de vaststelling van een selectief voordeel – hetgeen overeenkomstig artikel 107, lid 1 VWEU een voorwaarde betreft voor de kwalificatie als staatssteun. Hoewel het Hof vaststelt dat het eerder door het Gerecht gewezen arrest blijk geeft van onjuiste rechtsopvattingen, is het dictum gerechtvaardigd. Het Hof vervangt daarom slechts de motivering van het Gerecht. De hogere voorziening die is ingesteld door de Commissie wordt afgewezen.

De Amazon-groep hanteerde tussen mei 2006 en juni 2014 de volgende structuur voor de Europese markt. Amazon EU (‘de exploitatiemaatschappij’) en Amazon Europe Holding Technologies (‘de holding’) waren beide opgericht naar Luxemburgs recht. De exploitatiemaatschappij verzorgde in die tijd alle kleinhandelsactiviteiten in Europa. De holding trad op als intermediair tussen de exploitatiemaatschappij en de in de Verenigde Staten gevestigde onderneming van Amazon. Daarnaast bezat de holding bepaalde intellectuele eigendomsrechten. In ruil voor royalty’s werd een exclusieve licentie op deze rechten toegekend aan de exploitatiemaatschappij. De Luxemburgse autoriteiten zijn akkoord gegaan met een door de Amazon-groep voorgestelde verrekenprijzenregeling die kortweg inhield dat slechts de exploitatiemaatschappij verplicht was winstbelasting te betalen in Luxemburg. De Commissie heeft deze fiscale ruling bij besluit in 2017 aangemerkt als onrechtmatige staatssteun. In 2021 heeft het Gerecht dit besluit nietig verklaard.

Het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de Commissie het zakelijkheidsbeginsel in de praktijk kon brengen bij de toepassing van artikel 107 lid 1 VWEU,. Dit beginsel heeft echter geen autonoom bestaan in het Unierecht. De Commissie kan zich daarom slechts beroepen op dit beginsel wanneer daarnaar uitdrukkelijk wordt verwezen in het nationale belastingrecht. Nu dit ten tijde van de fiscale ruling in Luxemburg niet het geval was, kon het zakelijkheidsbeginsel niet worden toegepast. Hetzelfde geldt voor het meewegen van de richtsnoeren van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (‘OESO-richtsnoeren’). Ook daarvoor geldt dat deze slechts van praktisch belang zijn voor zover het belastingrecht van de betrokken lidstaat er uitdrukkelijk naar verwijst.

Door aan het zakelijkheidsbeginsel een uitleg te geven die in strijd was met het Unierecht, heeft het Gerecht de identificatie door de Commissie van het referentiestelsel ten onrechte gevalideerd. Hoewel het Gerecht op verschillende manieren blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, komt het Hof wel tot hetzelfde dictum. Vandaar dat het Hof de zaak afdoet door de motivering van het Gerecht te vervangen en het dictum – nietigverklaring van het besluit van de Commissie – in stand te houden.

Bron: arrest van het Hof van 14 december 2023, C-457/21 P (met perscommuniqué)


Commissie publiceert richtsnoeren voor duurzaamheidsovereenkomsten in de landbouw

De Europese Commissie heeft op 7 december jl. richtsnoeren vastgesteld over artikel 210 bis van Verordening 1308/2013 houdende een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten (‘GMO-verordening’). Dit artikel bevat voor landbouwproducenten een uitzondering op de mededingingsregels van artikel 101 VWEU. De richtsnoeren moeten meer duidelijkheid bieden over hoe marktdeelnemers van deze uitzondering gebruik kunnen maken.

Artikel 101 lid 1 VWEU verbiedt alle overeenkomsten tussen ondernemingen die tot strekking of gevolg hebben dat de mededinging wordt beperkt, verhinderd of vervalst. Het eerste lid van artikel 210 bis van de GMO-verordening stelt dit artikel buiten toepassing voor overeenkomsten die betrekking hebben op landbouwproducten en die tot doel hebben een duurzaamheidsnorm te bereiken die verder gaat dan op grond van nationale of Europese regels verplicht is. Deze uitzondering is aangenomen in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en is in lijn met de duurzaamheidsdoelstellingen van de EU. In de nieuwe richtsnoeren wordt aan deze bepaling meer duiding gegeven.

Zo wordt in de richtsnoeren beschreven wanneer de uitzondering van toepassing is. De uitzondering geldt alleen voor overeenkomsten van landbouwproducenten of tussen landbouwproducenten en ondernemingen uit andere schakels in de voedselbevoorradingsketen. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht afspraken tussen aardbeientelers of tussen aardbeientelers en groothandelaren. Bovendien geldt de uitzondering alleen wanneer sprake is van overeenkomsten die betrekking hebben op landbouwproducten.

Daarnaast zijn de doelenstellingen die met de overeenkomsten kunnen worden nagestreefd, vastgelegd in artikel 210 bis van de GMO-verordening. Dit zijn (i) milieubescherming, (ii) het verminderen van het gebruik van bestrijdingsmiddelen en antimicrobiële resistentie en (iii) het welzijn en de gezondheid van dieren. Verder moet de norm verder gaan dan hetgeen wettelijk verplicht is. 

De duurzaamheidsovereenkomst moet bovendien onontbeerlijk zijn voor het bereiken van de duurzaamheidsnorm en de gevolgen voor de mededinging mogen niet verder gaan dan nodig. Als de norm op een andere manier ook behaald zou kunnen worden, dan verdient deze manier de voorkeur en valt (een deel van) de overeenkomst niet onder de uitzondering.

Tot slot gaan de richtsnoeren in op de handhaving van artikel 210 bis. Ex ante kunnen marktdeelnemers die gebruik willen maken van de uitzondering een adviesregeling aanvragen bij de Commissie. Ex post kunnen de Commissie en de nationale mededingingsautoriteiten ingrijpen bij het verdwijnen van mededinging of wanneer de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (NB: niet de doelstellingen van de Verdragsbepalingen inzake mededinging) in gevaar komen. Zo kan een nationale mededingingsautoriteit eisen dat een overeenkomst wordt gewijzigd of stopgezet wanneer de duurzaamheidsovereenkomst leidt tot onredelijke prijzen.

Bron: Europese Commissie van 7 december 2023 inzake C/2023/1446 (persbericht)


De Europese Commissie stelt nieuwe de-minimisverordeningen vast

Op 13 december jl. heeft de Commissie twee nieuwe verordeningen vastgesteld voor kleine hoeveelheden staatssteun. Beide verordeningen treden op 1 januari 2024 in werking. De verordeningen verhogen de de-minimisdrempels, verplichten een centraal register voor deze kleine hoeveelheden steun en wijzigen de regels voor steun via financiële tussenpersonen.

Op 13 december jl. heeft de Commissie een nieuwe algemene de-minimisverordening en een nieuwe de-minimisverordening voor Diensten van Algemeen Economisch Belang (‘DAEB’) vastgesteld. Op basis van deze verordeningen zijn de Europese staatssteunregels niet van toepassing op kleine hoeveelheden steun, omdat steun die onder het drempelbedrag blijft niet wordt geacht de concurrentie op de interne markt te beïnvloeden.   

De nieuwe algemene de-minimisverordening verhoogt de de-minimisdrempel van € 200.000 over de afgelopen 3 belastingjaren naar € 300.000 over een periode van drie jaar. Voor diensten van algemeen economisch belang gaat de de-minimisdrempel van € 500.000 naar € 750.000 over een periode van drie jaar. Daarnaast wordt het per 1 januari 2026 op grond van beide verordeningen verplicht om – in het kader van transparante steun – gebruik te maken van een de-minimis register op nationaal of EU niveau. De rapportageverplichtingen voor bedrijven zullen hierdoor afnemen. Nederland heeft overigens op dit moment nog geen database waarin de-minimissteun wordt geregistreerd. Tot slot worden er in de algemene verordening meer mogelijkheden gecreëerd voor financiële tussenpersonen om staatssteun te faciliteren in de vorm van leningen of garanties. Het is op grond van de nieuwe de-minimisverordeningen niet langer vereist dat deze steun door de financiële tussenpersonen volledig wordt doorgegeven aan de eindbegunstigden.

Bron: Europese Commissie van 13 december 2023 (persbericht)


Afdeling stelt prejudiciële vraag over de verenigbaarheid van de verkorte motivering in vreemdelingenzaken met de Unierechtelijke motiveringsplicht

Op 13 december jl. heeft de Afdeling bestuursrechtsspraak van de Raad van State (‘Afdeling’) een prejudiciële vraag gesteld aan het Hof van Justitie. De Afdeling wilde in deze zaak gebruikmaken van haar bevoegdheid om in vreemdelingenzaken verkort te motiveren. De vreemdeling maakte hiertegen echter bezwaar, omdat deze verkorte motivering in strijd zou zijn met de Unierechtelijke motiveringsplicht voor niet-prejudicieel verwijzen.

In de onderhavige zaak heeft een vreemdeling een beroep gedaan op Unierecht en de Afdeling verzocht prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie over de uitleg hiervan. Aangezien de Afdeling in laatste instantie rechtspreekt, is zij in beginsel verplicht prejudiciële vragen te stellen wanneer het gaat om de uitleg van Unierecht. In drie gevallen geldt deze verwijzingsplicht niet, namelijk als (i) het Hof de Unierechtelijke bepaling reeds heeft uitgelegd (‘acte éclairé’), (ii) de uitleg zo evident is dat redelijkerwijs geen ruimte bestaat voor twijfel over de uitleg van het Unierecht (‘acte clair’) of (iii) de beantwoording van de vraag niet relevant is voor de beslechting van het geschil.

Wanneer de aangevoerde grief niet tot vernietiging van de rechtbankuitspraak kan leiden, kan de Afdeling in vreemdelingenzaken op grond van artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (‘Vw 2000’), volstaan met dat oordeel. De Afdeling maakt alleen gebruik van deze mogelijkheid om verkort te motiveren wanneer het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden. Hiermee valt volgens de Afdeling per definitie samen dat geen rechtsvragen aan de orde zijn die een prejudiciële verwijzing nodig maken. Een verkorte motivering zou dan ook impliceren dat er geen verwijzingsplicht geldt. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (‘EHRM’) heeft in de zaak Baydar geoordeeld dat het met een verkorte motivering afdoen van een verzoek om een prejudiciële verwijzing niet in strijd is met artikel 6 lid 1 EVRM.  

In de onderhavige zaak heeft een vreemdeling een beroep gedaan op Unierecht en de Afdeling verzocht prejudiciële vragen te stellen. Volgens de Afdeling is echter sprake van een acte éclairé, waardoor geen verwijzingsplicht geldt. De Afdeling wil de zaak afdoen met een verkort gemotiveerde uitspraak. Onder verwijzing naar het arrest in C-561/19 (Consorzio) heeft de vreemdeling hiertegen echter bezwaar gemaakt.

In Consorzio heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat uit de motivering van de nationale rechterlijke instantie moet blijken dat de opgeworpen vraag van Unierecht niet relevant is voor de beslechting van het geschil, dat de uitlegging van de betrokken bepaling van Unierecht blijkt uit de rechtspraak van het Hof, of dat de uitlegging van het Unierecht voor de rechterlijke instantie zo evident is dat er redelijkerwijs geen twijfel over kan bestaan.

De Afdeling is zelf van oordeel dat uit een verkorte motivering blijkt dat sprake is van een van de uitzonderingen van de verwijzingsplicht en dat deze motivering dus in lijn is met hetgeen het Hof heeft overwogen in rechtsoverweging 51 van Consorzio. De Afdeling erkent echter ook dat het Consorzio-arrest ruimte laat voor twijfel. Rechtsoverweging 51 zou – zoals door de vreemdeling wordt betoogd – ook zo kunnen worden gelezen dat gemotiveerd moet worden welke uitzondering op de verwijzingsplicht zich voordoet. In dat licht heeft de Afdeling de volgende prejudiciële vraag voorgelegd aan het Hof van Justitie:                                                       

Moet artikel 267, derde alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, gelezen in het licht van artikel 47, tweede alinea, van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, zo worden uitgelegd dat deze bepalingen in de weg staan aan een nationale regeling als opgenomen in artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, op grond waarvan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, als nationale rechter wiens beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep, een opgeworpen vraag over de uitleg van Unierecht, al dan niet in combinatie met een uitdrukkelijk verzoek om prejudiciële verwijzing, verkort gemotiveerd kan afdoen zonder te motiveren welke van de drie uitzonderingen op haar verwijzingsplicht zich voordoet?

De Afdeling heeft de verdere behandeling van de zaak geschorst in afwachting van het arrest van het Hof.

Bron: verwijzingsuitspraak van de ABRvS van 13 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4632 (met persbericht).


Gerechtshof Den Haag: uitblijven van indexering door een bedrijfstakpensioenfonds is niet in strijd met het recht op eigendom

In een hoger beroepsprocedure tussen pensioenontvangers en het bedrijfstakpensioenfonds Stichting Pensioenfonds Metaal en Techniek (“PMT”) heeft het Gerechtshof Den Haag op 28 november jl. bevestigd dat PMT niet onrechtmatig heeft gehandeld door de pensioenuitkering sinds 2008 niet te indexeren. Het Gerechtshof oordeelt – net als de kantonrechter in eerste aanleg – dat het uitblijven van indexering geen strijd oplevert met het recht op eigendom zoals vastgelegd in artikel 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (“Handvest”).

De onderhavige procedure speelt tussen pensioenontvangers en het bedrijfstakpensioenfonds PMT. Onder het Pensioenreglement dat door PMT is vastgesteld – waaraan deelneming op grond van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 verplicht is gesteld – is de verhoging of indexering van de pensioenuitkering voorwaardelijk. De pensioenontvangers stellen zich op het standpunt dat PMT in strijd handelt met artikel 17 van het Handvest, aangezien de pensioenuitkering sinds 2008 niet meer is geïndexeerd of verhoogd. Het Gerechtshof komt tot het oordeel dat dit niet het geval is.

Het Gerechtshof oordeelt allereerst dat artikel 17 van het Handvest in dit concrete geval niet van toepassing is. Het Handvest is namelijk slechts van toepassing wanneer het Unierecht ten uitvoer wordt gebracht. In de onderhavige zaak is de voorwaardelijke indexering van pensioenuitkeringen binnen het pensioenreglement het centrale punt van geschil. Binnen het Unierecht bestaat echter geen voorschrift of rechtsregel die hiermee voldoende verband houdt. Er is daarom geen sprake van een situatie die binnen de werkingssfeer van het Unierecht valt.

Het Gerechtshof volstaat echter niet met deze conclusie en oordeelt vervolgens dat het uitblijven van indexering van de pensioenuitkering – als artikel 17 Handvest wél van toepassing was geweest – geen strijd zou opleveren met het recht op eigendom.

In tegenstelling tot hetgeen de pensioenontvangers aanvoeren, volgt volgens het Gerechtshof uit het arrest in C-67/96 (Albany) niet dat het gebrek aan indexering een fundamentele voorwaarde is voor het bestaan van een hoge mate van solidariteit. Indexering vormt namelijk slechts één van de verschillende elementen die meegewogen dient te worden bij de beoordeling of sprake is van een hoge mate van solidariteit binnen de pensioenregeling.

Voor zover wordt betoogd dat uit het arrest in C-223/19 (YS)-arrest volgt dat opgebouwde pensioenaanspraken zijn aan te merken als eigendomsrechten, volgt het Gerechtshof dit standpunt niet In het onderhavige geval bestaat er – anders dan in de YS-zaak– geen onvoorwaardelijk recht op indexatie. Er is slechts een voorwaardelijk recht op toeslag of indexatie. Een onzeker uitzicht op waardevermindering is naar het oordeel van het Gerechtshof geen eigendomsrecht in de zin van artikel 17 Handvest.

Tot slot oordeelt het Gerechtshof dat – wanneer appellanten een beroep zou toekomen op bescherming van het eigendomsrecht in de zin van artikel 17 Handvest – een inbreuk gerechtvaardigd zou zijn. Het eigendomsrecht van artikel 17 Handvest is namelijk niet absoluut en in casu is het uitblijven van indexering te kwalificeren als een beperking die (i) bij wet is gesteld, (ii) de wezenlijke inhoud van het recht eerbiedigt, (iii) met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel noodzakelijk is en (iv) beantwoordt aan doelstellingen van algemeen belang.

Nu er volgens het Gerechtshof geen rechtsvragen onbeantwoord blijven die relevant zijn voor de beslechting van het geschil, bestaat er geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen.

Bron: arrest van het Gerechtshof Den Haag van 28 november 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:2301


ACM beboet vier bedrijven voor verboden marktverdeling wortelen

De ACM heeft boetes van in totaal 2,5 miljoen euro opgelegd aan vier bedrijven die wortels telen en verwerken. Het viertal vormde volgens de ACM een wortelkartel. De bedrijven hebben tussen 2009 en 2018 heimelijke afspraken gemaakt om zo de wortelmarkt onderling te verdelen.

De vier bedrijven verkopen waspeen en Parijse wortelen aan conserven- en diepvriesfabrikanten in Nederland, België en Duitsland. Onderling hebben zij afgesproken dat Laarakker, VanRijsingen en Verduyn zich gedurende tien jaar niet zouden bezighouden met de teelt, verwerking en verkoop van Parijse wortelen, zodat Veco zich op die markt kon richten. Ook werd afgesproken dat Veco zich gedurende een periode van tien jaar niet zou bezighouden met de teelt, verwerking en verkoop van waspeen. Daarnaast werd afgesproken dat Veco een financiële compensatie zou ontvangen.

Laarakker, Verduyn en VanRijsingen hebben alle een boete gekregen van 500.000 euro. Veco moet zo’n 1,1 miljoen euro betalen. De hoogte van de boetes is gebaseerd op de rol die de bedrijven hebben gespeeld in de vorming en uitvoering van het kartel. Laarakker en VanRijsingen kregen daarnaast een boeteverlaging omdat ze hun verboden gedrag bij de ACM hebben gemeld. Kennelijk heeft geen van de ondernemingen een volledige boetevrijstelling gekregen, wat indiceert dat het onderzoek niet is opgestart als gevolg van een clementieverzoek van een van de karteldeelnemers.

Bron: ACM beboet vier bedrijven voor verboden marktverdeling wortelen

Abonneren nieuwsbrief Europees recht