
In deze nieuwsbrief vindt u een overzicht van belangrijk Europeesrechtelijk nieuws. Wilt u op de hoogte blijven van de laatste ontwikkelingen op het gebied van het Europees recht? Schrijf u dan in voor onze tweewekelijkse nieuwsbrief.

In deze nieuwsbrief:
- Hof van Justitie: exploitant van onlinemarktplaats is verantwoordelijk voor verwerking persoonsgegevens in advertenties die op zijn platform worden gepubliceerd
- Hof van Justitie: door voorbij te gaan aan de rechtspraak van het Hof van Justitie heeft het Poolse grondwettelijk hof meerdere fundamentele beginselen van het recht van de Unie geschonden
- Hof van Justitie: vereiste van vermelding identificatienummer in huwelijkse voorwaarden gesloten in andere lidstaat bij inschrijving in huwelijksgoederenregister in strijd met recht op vrij verkeer en verblijf
- Hof van Justitie: stelsel van aansprakelijkheid zonder schuld bij niet-conforme tabaksproducten moet voldoen aan evenredigheidsbeginsel
- Europese Commissie publiceert herziening van DAEB-vrijstellingsbesluit
Hof van Justitie: exploitant van onlinemarktplaats is verantwoordelijk voor verwerking persoonsgegevens in advertenties die op zijn platform worden gepubliceerd
Het Hof van Justitie (“Hof”) oordeelt dat de exploitant van een onlinemarktplaats vóór publicatie van een advertentie moet controleren of daar gevoelige gegevens in staan en nagaan of de gebruiker die deze advertentie wil plaatsen de persoon is wiens gevoelige gegevens daarin staan. Is dat laatste niet het geval, dan moet de exploitant de publicatie weigeren, tenzij de adverterende gebruiker kan aantonen dat voor de publicatie uitdrukkelijke toestemming is gegeven.
Russmedia is de eigenaar van de onlinemarktplaats www.publi24.ro, waarop kosteloos of tegen vergoeding advertenties kunnen worden gepubliceerd. Op 1 augustus 2018 werd een advertentie gepubliceerd door een onbekende persoon, waarin werd beweerd dat een bepaalde vrouw (verzoekster) seksuele diensten aanbood. Het bericht bevatte onder meer haar foto’s en telefoonnummer, waarvoor geen toestemming was verleend. De vrouw verzocht de eigenaar van de website om dit bericht te verwijderen. Aan dit verzoek heeft Russmedia binnen een uur gehoor gegeven. Echter, de advertentie was inmiddels op andere websites verschenen, onder verwijzing naar de oorspronkelijke website.
De vrouw meende dat de advertentie inbreuk maakte op haar portretrecht, haar recht op eer en goede naam en haar recht op privéleven, alsook de regels met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens. De verwijzende rechter vroeg naar aanleiding hiervan aan het Hof van Justitie hoe de verplichtingen krachtens de Algemene Verordening Gegevensbescherming (“AVG”) voor de exploitant van een onlinemarktplaats uitgelegd moeten worden en of deze zich aan die verplichtingen kan onttrekken op grond van de in richtlijn 2000/31 neergelegde vrijstelling van aansprakelijkheid voor aanbieders van diensten van de informatiemaatschappij.
Het Hof oordeelt dat de exploitant van een onlinemarktplaats – samen met de adverteerder - verantwoordelijk is voor de verwerking van persoonsgegevens in de advertenties die op zijn onlinemarktplaats worden gepubliceerd. Dit geldt ook voor advertenties die door gebruikers worden geplaatst, aangezien de advertentie dankzij de onlinemarktplaats op internet wordt gepubliceerd en daarmee online toegankelijk wordt gemaakt. De exploitant moet vóór de publicatie van de advertenties door middel van technische en organisatorisch passende maatregelen nagaan welke advertenties gevoelige gegevens bevatten. Daarnaast moet hij verifiëren of de gebruiker die een dergelijke advertentie wil plaatsen ook dezelfde persoon is wiens gevoelige gegevens zijn opgenomen.
Indien de gebruiker niet dezelfde persoon is, moet de exploitant nagaan of de persoon wiens gegevens worden gepubliceerd uitdrukkelijke toestemming heeft gegeven voor de publicatie van de advertentie. Als geen toestemming gegeven is, moet de exploitant van de onlinemarktplaats de publicatie weigeren, tenzij een van de uitzonderingen opgaat als bedoeld in artikel 9, lid 2 AVG. Daarnaast moet de exploitant van een onlinemarktplaats passende technische en organisatorische beveiligingsmaatregelen nemen om te voorkomen dat dergelijke gevoelige advertenties gekopieerd worden en illegaal op andere websites terechtkomen. Het Hof oordeelt tot slot dat de exploitant van een onlinemarktplaats zich niet aan deze AVG-verplichtingen kan onttrekken door een beroep te doen op de vrijstelling van aansprakelijkheid van richtlijn 2000/31.
Bron: arrest van het Hof van Justitie van 2 december 2025 in zaak C-492/23 met perscommuniqué
Hof van Justitie: door voorbij te gaan aan de rechtspraak van het Hof van Justitie heeft het Poolse grondwettelijk hof meerdere fundamentele beginselen van het recht van de Unie geschonden
Naar aanleiding van twee arresten van het Poolse grondwettelijke hof heeft het Hof van Justitie (“Hof”) geoordeeld dat Polen zijn verplichtingen niet is nagekomen wegens schending van het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming, voorrang, autonomie, doeltreffendheid, eenvormige toepassing van het Unierecht en wegens miskenning van de bindende kracht van de beslissingen van het Hof. Daarnaast stelt het Hof vast dat bij de benoeming van drie rechters en de president van het grondwettelijk hof ernstige onregelmatigheden hebben plaatsgevonden, waardoor de status van dat grondwettelijk hof als onafhankelijk en onpartijdig hof dat bij wet is ingesteld in de zin van het Unierecht wordt aangetast.
Het Poolse grondwettelijke hof heeft in twee van zijn arresten in 2021 een aantal bepalingen van de Verdragen, zoals uitgelegd door het Hof, onverenigbaar met de Poolse grondwet verklaard. De Europese Commissie (“Commissie”) stelde naar aanleiding van deze twee arresten een beroep bij het Hof in wegens niet-nakoming door Polen, wegens inbreuk op het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming, in de zin van artikel 19, lid 1 VEU, en de beginselen van autonomie, voorrang, doeltreffendheid en eenvormige toepassing van het Unierecht, alsook het beginsel van de bindende werking van de rechtspraak van het Hof. Ook wees de Commissie op onregelmatigheden bij de benoeming van drie rechters en de president van het Poolse grondwettelijk hof.
Het Hof wijst het beroep van de Commissie volledig toe en stelt vast dat Polen zijn verplichtingen niet is nagekomen.
Uit vaste rechtspraak van het Hof volgt dat nationale rechterlijke instanties bevoegd zijn om de rechtmatigheid van procedures voor de benoeming van rechters te toetsen. Dit omvat mede de besluiten van de Poolse nationale raad voor de rechtspraak, waarbij kandidaten voor die benoeming worden voorgedragen, en de bevoegdheid van nationale rechterlijke instanties om uitspraak te doen over mogelijke gebreken van zulke procedures. In de bestreden arresten heeft het Poolse grondwettelijk hof deze bevoegdheden terzijde geschoven. Daarnaast weigerde het de verbindendheid te erkennen van de voorlopige maatregelen die het Hof oplegde voor de organisatie en de bevoegdheid van de Poolse rechterlijke instanties en de procedure bij die instanties. Daarom oordeelt het Hof dat het Poolse grondwettelijk hof het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming, in de zin van artikel 19, lid 1 VEU, heeft geschonden.
Het Hof oordeelt verder dat de wezenlijke kenmerken van de rechtsorde van de Unie in de bestreden arresten wordt aangetast, namelijk de beginselen van autonomie, voorrang, doeltreffendheid en eenvormige toepassing van het Unierecht alsook het beginsel van de bindende werking van de rechtspraak van het Hof. Polen kan zijn constitutionele identiteit niet inroepen om zich te onttrekken aan de gemeenschappelijke belangen, verankerd in artikel 2 VEU, zoals de rechtstaat, effectieve rechterlijke bescherming en de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht. Polen is vrijelijk toegetreden tot de EU en deze waarden, die na toetreding concreet tot uiting komen in juridisch bindende verplichtingen, liggen ten grondslag aan de identiteit van de Unie zelf.
Ook kunnen de nationale rechterlijke instanties niet eenzijdig de omvang en de grenzen van de aan de Unie toegekende bevoegdheden bepalen. Bij de Verdragen is immers ingesteld dat de uitleg van het Unierecht een uitsluitende bevoegdheid van de Unierechters is. De autonomie en de doeltreffendheid van de Unierechtelijke rechtsorde verzetten zich tegen elke externe toetsing van de beslissingen van het Hof, bij de uitoefening van zijn bevoegdheid het Unierecht definitief en bindend uit te leggen en om de rechtmatigheid van Uniehandelingen te toetsen. Als nationale rechters twijfels hebben over de omvang van de bevoegdheden van de Unie, de geldigheid van handelingen die ultra vires zouden zijn of in het kader van nationale identiteit van lidstaten, kunnen zij een prejudiciële procedure bij het Hof starten. Dit geldt ook wanneer de twijfels betrekking hebben op de uitlegging van het Unierecht door het Hof.
Tot slot oordeelt het Hof dat de benoemingen van de drie rechters van het Poolse grondwettelijk hof in 2015 en van diens president in 2016 in strijd waren met de fundamentele regels inzake benoemingsprocedures in Polen. Het Poolse grondwettelijk hof voldoet volgens het Hof daarom niet aan de vereisten van een bij wet ingesteld gerecht dat onafhankelijk en onpartijdig is in de zin van het Unierecht.
Bron: arrest van het Hof van Justitie van 18 december 2025 in zaak C-448/23 met perscommuniqué
Hof van Justitie: vereiste van vermelding identificatienummer in huwelijkse voorwaarden gesloten in andere lidstaat bij inschrijving in huwelijksgoederenregister in strijd met recht op vrij verkeer en verblijf
Naar aanleiding van een prejudiciële vraag van de Litouwse verwijzende rechter oordeelt het Hof van Justitie (“Hof”) dat een nationale regeling, die voor inschrijving in het huwelijksgoederenregister van huwelijkse voorwaarden aangegaan in een andere lidstaat vereist dat van ten minste één van de echtgenoten het persoonlijke identificatienummer wordt vermeld, in strijd is met artikel 21 VWEU.
In 2006 is een Litouwse burger met een Italiaanse burger in Italië getrouwd. In de huwelijksakte is opgenomen dat er gekozen is voor uitsluiting van gemeenschap van goederen. De Litouwse vrouw verzocht in 2022 het Litouwse centrum voor registers om de verdeling van goederen tussen de echtgenoten in te schrijven in het Litouwse huwelijksgoederenregister.
Het centrum voor registers wees dit verzoek af, op grond van een nationale wettelijke regeling die bepaalt dat de in een andere Unielidstaat aangegane huwelijkse voorwaarden pas in het huwelijksgoederenregister kunnen worden ingeschreven, indien daarin van ten minste één van de echtgenoten het Litouwse persoonlijke identificatienummer is vermeld. De betrokken Italiaanse burgerlijke stand had geweigerd het identificatienummer van de Litouwse burger in de huwelijksakte in te schrijven, waardoor niet aan dit vereiste werd voldaan.
De verwijzende rechter wendt zich tot het Hof met de vraag of de nationale regeling, op grond waarvan vereist wordt dat in de huwelijkse voorwaarden het persoonlijke identificatienummer van ten minste één van de echtgenoten wordt vermeld, in strijd is met artikel 21 VWEU.
Het Hof stelt voorop dat de invoering van huwelijksgoederenregisters en de regels betreffende de werking ervan behoren tot de bevoegdheid van de lidstaten. Echter, bij de uitoefening ervan moet wel het Unierecht in acht worden genomen. Het recht op vrij verkeer moet worden gewaarborgd door de burgerlijke staat van personen te erkennen die in een andere lidstaat overeenkomstig het recht van die lidstaat is vastgelegd.
De Litouwse burger heeft als Unieburger haar recht op vrij verkeer uitgeoefend en is in dat kader in Italië huwelijkse voorwaarden aangegaan. De regeling die vereist dat het Litouwse persoonlijke identificatienummer wordt vermeld in de huwelijksakte, is alleen van toepassing op huwelijkse voorwaarden die zijn aangegaan in een andere lidstaat dan die van inschrijving. Deze nationale regeling maakt dus onderscheid tussen aangegane huwelijkse voorwaarden binnen en buiten Litouwen, terwijl gelijke behandeling voor Unieburgers voortvloeit uit het recht van vrij verkeer.
Uit vaste rechtspraak volgt dat een nationale regeling die bepaalde onderdanen van een lidstaat benadeelt om de enkele reden dat zij gebruik hebben gemaakt van het recht op vrij verkeer, een beperking vormt van artikel 21, lid 1 VWEU. Deze beperking kan alleen gerechtvaardigd zijn indien deze gebaseerd is op objectieve overwegingen van algemeen belang en evenredig is. De nationale regeling mag niet verder gaan dan noodzakelijk om het nagestreefde doel te bereiken.
De bestreden regeling draagt volgens het Hof weliswaar bij aan de juistheid en authenticiteit van de huwelijksgoederenregisters en is daarmee geschikt om aan de rechtszekerheid te bij te dragen, maar identificatie van de persoon die zich wenst in te schrijven kan ook via andere gegevens, aldus het Hof. Voorbeelden hiervan zijn de naam, geboortedatum en geboorteplaats van die persoon. Het vereiste gaat volgens het Hof daarom verder dan nodig om het rechtszekerheidsdoel te bereiken.
Het Hof oordeelt op basis van het voorgaande dat deze nationale regeling die vereist dat van één van de echtgenoten het persoonlijke identificatienummer wordt vermeld, in strijd is met artikel 21 VWEU.
Bron: arrest van het Hof van Justitie van 11 december 2025 in zaak C-789/23
Hof van Justitie: stelsel van aansprakelijkheid zonder schuld bij niet-conforme tabaksproducten moet voldoen aan evenredigheidsbeginsel
Het Hof van Justitie (“Hof”) oordeelt met betrekking tot richtlijn 2014/40/EU (“richtlijn”) dat het verbod tot het in de handel brengen van niet-conforme tabaksproducten niet beperkt is tot de verkoop aan consumenten, en dat het evenredigheidsbeginsel bij invoering van een stelsel van aansprakelijkheid zonder schuld vereist dat rekening moet worden gehouden met de ernst van de overtreding en de omstandigheden van het concrete geval.
De Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport (“Staatssecretaris”) heeft op grond van artikel 23, lid 2 van de richtlijn een geldboete opgelegd aan Diamond Flavours BV en UEG Holland, twee distributeurs van onder meer navulverpakkingen voor elektronische sigaretten. De geldboete is opgelegd wegens het in de handel brengen van navulverpakkingen voor elektronische sigaretten waarvan de verpakkingseenheden onjuiste nicotinegehalten vermeldden. De distributeurs hadden de navulverpakkingen afgenomen van meerdere (buitenlandse) importeurs en deze verpakkingen vervolgens verkocht aan verschillende detaillisten.
Op grond van artikel 23, lid 2 van de richtlijn rust op lidstaten de verplichting erop toe te zien dat tabaks- en aanverwante producten die niet aan de richtlijn voldoen, niet in de handel worden gebracht. Lid 3 verplicht de lidstaten een sanctieregeling in te voeren bij overtreding daarvan.
Het College van Beroep voor het bedrijfsleven (“College”) vraagt het Hof in deze zaak ten eerste om uitleg over het begrip ‘in de handel brengen’, uit artikel 23, lid 2 van de richtlijn, nu de distributeurs de navulverpakkingen niet aan consumenten hebben geleverd, maar aan detaillisten. Ten tweede vraagt het College in het licht van de opgelegde bestuurlijke boete of een stelsel van aansprakelijkheid zonder schuld verenigbaar is met het vereiste van artikel 23, lid 3 van de richtlijn en het evenredigheidsbeginsel. Die vraag vloeit voort uit het feit dat in dit geval de distributeurs navulverpakkingen in de handel hadden gebracht waarvan de verpakkingseenheden een onjuist nicotinegehalte vermeldden, terwijl dit nicotinegehalte overeenkwam met het gehalte zoals opgenomen in de kennisgeving uit hoofde van artikel 20, lid 2 van de richtlijn door de fabrikant of importeur, van wie de distributeur de navulverpakking had afgenomen.
In antwoord op de eerste vraag oordeelt het Hof in lijn met eerdere rechtspraak dat de verplichting uit artikel 23, lid 2 van de richtlijn niet beperkt is tot de fase van de levering door een detaillist aan de consument, maar ook geldt in het geval een distributeur aan een detaillist levert. De invoering van de sanctieregeling heeft namelijk betrekking op alle bepalingen van de richtlijn, ongeacht de fase van de toeleveringsketen.
In antwoord op de tweede vraag herhaalt het Hof zijn vaste rechtspraak dat een stelsel van aansprakelijkheid zonder schuld niet onevenredig is, wanneer dit een stimulans kan vormen om een Uniehandeling na te leven en de nagestreefde doelstellingen een algemeen belang nastreven dat een dergelijk stelsel kan rechtvaardigen. Daar is in dit geval sprake van. Dat de fabrikant en importeurs van de navulverpakkingen kennis hebben gegeven conform artikel 20, lid 2 van de richtlijn, maakt dat volgens het Hof niet anders. De kennisgeving heeft namelijk niet als doel om marktdeelnemers verderop in de keten de mogelijkheid te bieden zich aan hun aansprakelijkheid te onttrekken.
Het Hof voegt hieraan toe, dat de lidstaten ook bij de beoordeling van de relevante factoren voor de vaststelling van de hoogte van de geldboete gebonden zijn aan het evenredigheidsbeginsel. Dat betekent dat de omstandigheden van het concrete geval in aanmerking moeten worden genomen wanneer de hoogte van de boete wordt vastgesteld. Het kan in dat licht onevenredig zijn wanneer een forfaitaire geldboete wordt opgelegd voor elke overtreding, zonder dat rekening wordt gehouden met de ernst daarvan. Omdat de nationale sanctieregeling in deze zaak niet toestond dat de sancties individueel werden aangepast, oordeelt het Hof dat dit onevenredig is aan de door de richtlijn nagestreefde doelstelling. Er kan immers geen rekening worden gehouden met de ernst van de overtreding en de omstandigheden van het concrete geval.
Bron: arrest van het Hof van Justitie van 11 december 2025 in zaak C-665/24
Europese Commissie publiceert herziening van DAEB-vrijstellingsbesluit
Op 16 december 2025 heeft de Europese Commissie (“Commissie”) de herziening van het besluit inzake diensten van algemeen economisch belang (“DAEB-besluit”) gepubliceerd. De herziening actualiseert staatssteunregels hoofdzakelijk om investeringen in betaalbare huisvesting op nationaal, regionaal en lokaal niveau te vereenvoudigen (zie ook: webpagina Commissie over DAEB). De Commissie heeft aanvullend een Q&A gepubliceerd over dit nieuwe DAEB-besluit. De Commissie licht daarin toe dat de huidige staatssteunregels ontoereikend zijn in de context van de aanhoudende huisvestingscrisis in Europa.
Het herziene DAEB-besluit maakt onderdeel uit van het Europees plan voor betaalbaar wonen, dat de Commissie eveneens op 16 december 2025 presenteerde. Met het nieuwe plan beoogt de Commissie het woningaanbod te vergroten, investeringen en hervormingen te stimuleren, kortetermijnverhuur in gebieden met een overspannen woningmarkt aan te pakken en de mensen die het zwaarst worden getroffen te ondersteunen.
Bron: persbericht van de Europese Commissie van 16 december 2025 (link)