Home Kennis EU-alert - 12 december 2023

In deze nieuwsbrief vindt u een overzicht van belangrijk Europeesrechtelijk nieuws. Wilt u op de hoogte blijven van de laatste ontwikkelingen op het gebied van het Europees recht? Schrijf u dan in voor onze tweewekelijkse nieuwsbrief.

Abonneren nieuwsbrief Europees recht

In deze nieuwsbrief:

  • Staatssteun: klachten Ryanair tegen Zweedse en Franse steunregelingen definitief afgewezen
  • Hof van Justitie: openbaar bestuur kan zijn werknemers verbieden om religieuze symbolen op de werkvloer te dragen
  • Europese Commissie legt Rabobank een boete op van EUR 26,6 miljoen wegens schending van het kartelverbod
  • Aanbesteding: Europese Commissie maakt nieuwe Europese drempelbedragen bekend
  • Hoge Raad: discriminatieverbod niet geschonden bij tariefswijziging bpm
  • ABRvS: voorlopige voorziening in hoger beroep leidt niet altijd tot opschorting overdrachtstermijn Dublinzaken
  • ABRvS: 24-weken-eis is in strijd met de Europese Opvangrichtlijn

Staatssteun: klachten Ryanair tegen Zweedse en Franse steunregelingen definitief afgewezen

In twee arresten van 23 november jl. heeft het Hof van Justitie de hogere voorzieningen van Ryanair afgewezen over de Franse en Zweedse steunmaatregelen ten behoeve van de luchtvaartsector in het kader van de COVID-19 crisis.

De Franse steunmaatregel had de vorm van uitstel van betaling voor de door luchtvaartmaatschappijen verschuldigde luchtvaartbelasting en solidariteitsbelasting op vliegtickets. De Zweedse maatregel betrof een garantieregeling voor leningen aan bepaalde luchtvaartmaatschappijen. Beide steunmaatregelen zijn door de Europese Commissie goedgekeurd. De Franse maatregel op grond van artikel 107 lid 2 onder b VWEU. De Zweedse maatregel op grond van artikel 107 lid 3 onder b VWEU. Ryanair heeft tegen beide besluiten een beroep tot nietigverklaring ingesteld. In twee arresten van 17 februari 2021 (T-238/20 en T-259/20) heeft het Gerecht het beroep ongegrond verklaard. Tegen deze arresten is Ryanair in hoger beroep gegaan. Het Hof wijst de hogere voorziening in beide zaken af.

Twee aspecten uit de arresten van het Hof verdienen bijzondere aandacht. In de eerste plaats bevestigt het Hof dat een steunmaatregel niet kan worden geacht onverenigbaar te zijn met de interne markt om redenen die uitsluitend verband houden met het feit dat de maatregel selectief is of dat hij de mededinging vervalst of dreigt te vervalsen. Dergelijke aspecten zijn immers inherent aan alle staatssteun en een andere lezing zou artikel 107 leden 2 en 3 VWEU elk nuttig effect ontnemen.

Het tweede aspect komt enkel terug in de uitspraak met betrekking tot de Zweedse steunmaatregel. Die maatregel had de Europese Commissie verenigbaar verklaard met de interne markt op basis van artikel 107 lid 3 onder b VWEU. Anders dan artikel 107 lid 3 onder c VWEU, stelt sub b niet de voorwaarde dat met de steunmaatregel in kwestie een doelstelling van gemeenschappelijk belang wordt nagestreefd. Steunmaatregelen die bijdragen tot een van de onder b) genoemde doelstellingen en die noodzakelijk en evenredig zijn, kunnen bijgevolg worden geacht te zorgen voor een juist evenwicht tussen hun positieve en negatieve effecten op de interne markt en kunnen dus worden geacht het gemeenschappelijke belang van de Unie te dienen. Het Gerecht heeft volgens het Hof dan ook geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat artikel 107 lid 3 onder b VWEU de Commissie niet verplichtte tot het verrichten van een afweging van de positieve en de negatieve gevolgen van de steunregeling in kwestie voor de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt en voor de handhaving van een onvervalste mededinging.

Bron: arresten van het Hof van 23 november 2023, C-209/21 en C-210/21 (perscommuniqué (Engelstalig))


Hof van Justitie: openbaar bestuur kan zijn werknemers verbieden om religieuze symbolen op de werkvloer te dragen

Op 28 november jl. heeft Hof naar aanleiding van een prejudiciële vraag van de Belgische rechter geoordeeld dat het openbaar bestuur zijn werknemers kan verbieden om religieuze tekens te dragen op de werkvloer, met als doel een volkomen neutrale overheidsomgeving te creëren. Dat verbod discrimineert niet als het op een algemene manier en zonder onderscheid geldt voor alle personeelsleden van dat openbaar bestuur en het beperkt blijft tot wat strikt noodzakelijk is.

De gemeenteraad van Ans (België) heeft in maart 2021 het arbeidsreglement gewijzigd en daarin een verplichting tot “exclusieve neutraliteit” op het werk opgenomen. Een werkneemster, een bureauchef die nauwelijks in contact komt met gebruikers van de openbare dienst, mocht op de werkvloer haar hoofddoek niet dragen en stapte naar de rechter op grond van godsdienstvrijheid. De arbeidsrechtsbank van Luik stelde vervolgens de prejudiciële vraag aan het Hof of de door de gemeente opgelegde strikte neutraliteit leidt tot discriminatie in strijd met Unierecht (in het bijzonder de richtlijn gelijke behandeling).

Het Hof oordeelt dat elke lidstaat over een beoordelingsmarge beschikt bij het vormgeven van de neutraliteit van de openbare dienst die die lidstaat op het werk wil bevorderen. Het beleid van “exclusieve neutraliteit” dat een overheidsdienst naargelang van de specifieke eigen context en binnen het kader van zijn bevoegdheden wil opleggen aan zijn werknemers met het oog op de totstandbrenging van een volkomen neutrale overheidsomgeving, kan worden geacht objectief te worden gerechtvaardigd door een legitiem doel als bedoeld in de richtlijn. Als een ander openbaar bestuur kiest voor een beleid dat op een algemene manier en zonder onderscheid juist toestaat dat er zichtbare tekens godsdienstige overtuigingen worden gedragen, of voor een verbod op het dragen van die tekens dat beperkt is tot situaties waarin er sprake is van contacten met gebruikers, is dat ook gerechtvaardigd.

Het beleid moet echter wel geschikt, noodzakelijk en evenredig zijn om het nagestreefde doel van exclusieve neutraliteit te behalen. Dat veronderstelt dat het beoogde doel coherent en systematisch moet worden nagestreefd en dat de genomen maatregelen beperkt moeten blijven tot wat strikt noodzakelijk is. Het is aan de nationale rechter om na te gaan of aan die eisen is voldaan.

Bron: arrest van het Hof van 28 november 2023, C-148/22 (perscommuniqué).


Europese Commissie legt Rabobank een boete op van EUR 26,6 miljoen wegens schending van het kartelverbod

Op 22 november jl. heeft de Europese Commissie bekendgemaakt dat zij een boete van 26,6 miljoen euro aan Rabobank heeft opgelegd omdat de bank samen met Deutsche Bank een kartel vormde voor de handel in bepaalde in euro luidende obligaties. Deutsche Bank kreeg geen boete omdat het de Commissie met een beroep op de clementieregeling op het bestaan van het kartel heeft gewezen.

De overtreding van het kartelverbod vond in de periode van 2006 tot en met 2016 plaats op de markt voor in euro luidende SSA-obligaties. Op de markt voor deze obligaties werd tussen Rabobank en Deutsche Bank op regelmatige basis gevoelige informatie uitgewisseld en hebben verboden prijsafstemmingen plaatsgevonden.

Het openbare besluit van de Commissie is nog niet gepubliceerd vanwege vertrouwelijkheidskwesties, maar zal te vinden zijn in het zaakregister onder zaaknummer AT.40512.

Bron: Commissie geeft Rabobank 26,6 miljoen euro boete voor kartel in handel met obligaties in euro (persbericht)


Aanbesteding: Europese Commissie maakt nieuwe Europese drempelbedragen bekend

De door de Europese Commissie herziene verordeningen betreffende de nieuwe drempelbedragen voor aanbestedingen zijn bekendgemaakt in het Publicatieblad van 16 november jl. De vier verordeningen bevatten drempelbedragen vanaf welke geraamde waarde een opdracht of concessie aanbesteed moet worden. De verordeningen traden op 6 december jl. in werking en zijn vanaf 1 januari 2024 tot en met 31 december 2025 van kracht.

Iedere twee jaar herziet de Commissie de drempelbedragen voor aan te besteden opdrachten. Vanaf 1 januari 2024 gaan daarom nieuwe drempelbedragen gelden. Wanneer de geraamde waarde van een bepaalde opdracht of concessie gelijk is aan, dan wel hoger dan de daarop toepasselijke drempelbedragen, dienen de bestaande aanbestedingsprocedures gevolgd te worden. Ook deze keer heeft de Europese Commissie de drempelbedragen verhoogd.

Bron: EU-Publicatieblad van 16 november 2023 (KED-persbericht)


Hoge Raad: discriminatieverbod niet geschonden bij tariefswijziging bpm

Bij arrest van 17 november jl. heeft de Hoge Raad zich uitgelaten over de toepassing van het discriminatieverbod van artikel 110 VWEU bij inschrijving en tenaamstelling van een uit een andere lidstaat overgebrachte nieuwe personenauto binnen twee maanden na een tariefswijziging van de bpm. Volgens de Hoge Raad kan de belanghebbende in dit geval niet met een beroep op artikel 110 VWEU aanspraak maken op het oude bpm-tarief, omdat de betreffende personenauto’s niet in het kentekenregister van een andere lidstaat waren ingeschreven vóór de inwerkingtreding van de tariefverhoging van de bpm.

Het onderhavige geschil speelt tussen de staatssecretaris van Financiën en een belanghebbende die drie nieuwe en in een andere lidstaat aangeschafte personenauto’s heeft overgebracht naar Nederland. De drie auto’s zijn binnen de eerste twee maanden van 2018 in het Nederlandse kentekenregister ingeschreven en tenaamgesteld. Vervolgens heeft de belanghebbende hiertoe de verplichte bpm op aangifte betaald, gebaseerd op het (lagere) tarief voor 2017. De Inspecteur van de Belastingdienst heeft de belanghebbende naheffingsaanslagen opgelegd, omdat de bpm voor de drie auto’s op grond van artikel 16a Wet Bpm berekend moest worden aan de hand van het verhoogde tarief voor 2018. De juridische vraag was of belanghebbende ter zake van de registratie van de drie personenauto’s binnen de eerste twee maanden van 2018 met succes een beroep kon doen op het in 2017 geldende, lagere tarief aan bpm, en of de naheffing die uitging van toepassing van het in 2018 geldende tarief, in strijd was met het discriminatieverbod van artikel 110 VWEU.

De rechtbank had het beroep van de belanghebbende ongegrond verklaard, maar het gerechtshof oordeelde op basis van een eerder gewezen arrest van de Hoge Raad dat de belanghebbende wél het tarief van 2017 mocht toepassen. De Hoge Raad heeft het daartegen ingestelde cassatieberoep van de staatssecretaris gegrond verklaard, de uitspraak van het gerechtshof vernietigd en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Volgens de Hoge Raad betrof het eerdere arrest een andere situatie en is dat arrest niet van toepassing op de onderhavige zaak. Waar het volgens de Hoge Raad in het kader van het discriminatieverbod van artikel 110 VWEU om gaat is dat de bpm die is verschuldigd ter zake van de registratie van nieuwe personenauto’s die afkomstig zijn uit een andere lidstaat, niet hoger mag zijn dan de bpm die wordt geheven ter zake van de registratie van vergelijkbare nieuwe personenauto’s die in Nederland op de binnenlandse markt worden aangekocht en die op hetzelfde tijdstip worden geregistreerd. De Hoge Raad heeft al eerder geoordeeld dat het discriminatieverbod van artikel 110 VWEU kan meebrengen dat met betrekking tot een in een andere lidstaat aangekochte nieuwe personenauto niet onverkort kan worden vastgehouden aan de voorwaarden van artikel 16a, lid 1, Wet bpm. Dat doet zich met name voor wanneer het gaat om een nieuwe personenauto die in het kentekenregister van een andere lidstaat is ingeschreven vóór de inwerkingtreding van een tariefverhoging van de bpm, en die na overbrenging naar Nederland binnen twee maanden na die inwerkingtreding wordt ingeschreven en te naam wordt gesteld in het Nederlandse kentekenregister.

Uit de stukken van het geding blijkt in dit geval echter niet dat belanghebbende heeft gesteld dat de drie personenauto’s vóór de tariefverhoging van 1 januari 2018 in het kentekenregister van een andere lidstaat waren geregistreerd, zodat ervan moet worden uitgegaan dat dit niet het geval is geweest. Dat betekent dat de belanghebbende niet met een beroep op artikel 110 VWEU aanspraak maken op toepassing van het in 2017 geldende tarief van de bpm.

Bron: arrest van de Hoge Raad van 17 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1572


ABRvS: voorlopige voorziening in hoger beroep leidt niet altijd tot opschorting overdrachtstermijn Dublinzaken

Op 22 november jl. heeft de Afdeling bestuursrechtspraak in een drietal Dublinzaken geoordeeld dat een voorlopige voorziening in hoger beroep alleen de overdrachtstermijn opschort als de rechtbank in eerste aanleg dat ook heeft gedaan. Heeft de rechtbank dat niet gedaan, dan heeft het toewijzen van een voorlopige voorziening door de Afdeling geen gevolgen voor de overdrachtstermijn. Die blijft dan dus doorlopen. Is de termijn van zes maanden verstreken? Dan kan de asielzoeker niet meer teruggestuurd worden naar een andere EU-lidstaat en zal de staatssecretaris de asielaanvraag zelf moeten behandelen.

In deze zaken gaat het om asielzoekers die eerder in Duitsland en Denemarken een asielaanvraag deden, maar daarna ook in Nederland asiel hebben aangevraagd. De staatssecretaris nam die asielaanvragen niet in behandeling, omdat hij vindt dat Denemarken en Duitsland verantwoordelijk zijn op grond van de Europese Dublinverordening. Als de staatssecretaris een asielzoeker op grond van de Dublinverordening wil terugsturen naar een andere EU-lidstaat, heeft hij daar zes maanden de tijd voor. In de afzonderlijke zaken vroegen zowel de staatssecretaris als de asielzoeker de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak om de overdrachtstermijn op te schorten. Hierbij stond de rechtsvraag centraal of het opschorten van de overdrachtstermijn in hoger beroep in overeenstemming is met de Europese Dublinverordening. De Afdeling heeft voorafgaand aan deze uitspraken de vraag verwezen naar het Hof van Justitie van de EU.

Aan de hand van het antwoord van 30 maart 2023 van het Hof van Justitie oordeelt de Afdeling nu dat een voorlopige voorziening van haar eigen voorzieningenrechter alleen de overdrachtstermijn van zes maanden opschort als de rechtbank in eerste aanleg het overdrachtsbesluit ook heeft geschorst. Als de rechter dit niet heeft gedaan, dan kan de Afdeling weliswaar een voorlopige voorziening treffen, maar voor de doorlopende overdrachtstermijn heeft dat geen gevolgen.

De Afdeling realiseert zich dat deze uitspraak verstrekkende gevolgen heeft voor de huidige rechtspraktijk, omdat de overdrachtstermijn van zes maanden in veel gevallen al zal zijn verstreken voordat de Afdeling einduitspraak heeft gedaan. De Afdeling noemt voor deze ‘patstelling’ twee oplossingen. De eerste ligt bij de rechter in eerste aanleg, die zijn werkwijze kan aanpassen door eerder te beslissen op een verzoek om een voorlopige voorziening. De tweede ligt bij de wetgever, die zich kan beraden over de wijze waarop hij invulling geeft aan artikel 27, derde lid, van de Dublinverordening. Dit artikel geeft de wetgever namelijk ook andere keuzemogelijkheden bij het bepalen van het moment wanneer de overdrachtstermijn start of opgeschort wordt.

Bron: ECLI:NL:RVS:2023:4197, ECLI:NL:RVS:2023:4198, ECLI:NL:RVS:2023:4199 (met persbericht).


ABRvS: 24-weken-eis is in strijd met de Europese Opvangrichtlijn

Asielzoekers mogen meer dan 24 weken per jaar werken. Dit volgt uit twee uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van 29 november jl. Volgens de Afdeling is de eis dat asielzoekers maximaal 24 weken per jaar mogen werken in strijd met de Europese Opvangrichtlijn. Deze eis verhindert de asielzoekers om effectieve toegang te krijgen tot de Nederlandse arbeidsmarkt, hetgeen afbreuk doet aan het doel en nuttig effect van de richtlijn.

Op grond van artikel 15 van de Europese Opvangrichtlijn moeten lidstaten ervoor zorgen dat asielzoekers toegang hebben tot de arbeidsmarkt. Lidstaten mogen echter bepalen onder welke voorwaarden asielzoekers toegang tot de arbeidsmarkt krijgen. Een van de voorwaarden die Nederland hanteert, is de 24-weken-eis. Deze eis houdt in dat een asielzoeker binnen een tijdsbestek van 52 weken maximaal 24 weken mag werken. Het UWV geeft daarom geen tewerkstellingsvergunning af voor langer dan 24 weken. Twee asielzoekers en hun werkgevers stelden zich op het standpunt dat dit in strijd is met de Opvangrichtlijn. De Afdeling stelt hen in het gelijk.

De Afdeling baseert zich daarbij op de algemene opzet, de context, de doelstelling en de geschiedenis van de totstandkoming van de Opvangrichtlijn. Volgens de Afdeling betreft de richtlijn een brede doelstelling om de toegang tot de arbeidsmarkt voor asielzoekers te vergemakkelijken. Asielzoekers hebben volgens de Afdeling recht op “effectieve toegang” tot de arbeidsmarkt, wat betekent dat de asielzoeker een eerlijke kans dient te krijgen om deel uit te maken van die arbeidsmarkt en daarmee zijn zelfstandigheid te bevorderen.

Hoewel artikel 15, tweede lid, van de Opvangrichtlijn lidstaten de ruimte geeft om te bepalen onder welke voorwaarden asielzoekers toegang tot de arbeidsmarkt krijgen, volgt uit de rechtspraak van het Hof van Justitie dat lidstaten geen maatregelen of voorwaarden mogen vaststellen die afbreuk kunnen doen aan het doel en nuttig effect van de richtlijn. In dit verband verwijst de Afdeling naar een rapport dat onderzoeksbureau Regioplan in april 2023 heeft opgesteld op verzoek van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Uit dat rapport volgt dat de 24-weken-eis voornamelijk een drempel vormt voor werkgevers, die meestal op zoek zijn naar personeel voor langere termijn. De eis maakt van de asielzoeker dus geen aantrekkelijke werknemer.

Net als eerder twee rechtbanken, oordeelt de Afdeling bestuursrechtspraak daarom dat de 24 weken eis onverbindend is. Met het oog op de toekomst voegt de Afdeling daar nog aan toe dat ook een andere tijdsbeperking van het recht op daadwerkelijke toegang tot de arbeidsmarkt afbreuk zou kunnen doen aan het doel en nuttig effect van de Opvangrichtlijn.

Het kabinet heeft in een persbericht direct laten weten de regels aan te zullen passen naar aanleiding van deze uitspraken.

Het UWV is in deze procedures ter zitting bij de Afdeling bijgestaan door Georges Dictus.

Bron: ECLI:NL:RVS:2023:4341, ECLI:NL:RVS:2023:4418 (met persbericht).

Abonneren nieuwsbrief Europees recht