
In deze nieuwsbrief vindt u een overzicht van belangrijk Europeesrechtelijk nieuws. Wilt u op de hoogte blijven van de laatste ontwikkelingen op het gebied van het Europees recht? Schrijf u dan in voor onze tweewekelijkse nieuwsbrief.

In deze nieuwsbrief:
- Hof van Justitie EU: internationale normen in EU-richtlijnen moeten voor particulieren vrij toegankelijk zijn
- Hof van Justitie: Unierecht staat niet in de weg aan een nationaal verbod op online kansspelen, noch aan het verbinden van civielrechtelijke gevolgen aan dat verbod
- Hof van Justitie: Hongaarse wet die LGBTI+-ers stigmatiseert en marginaliseert is in strijd met het Unierecht
- Lexology publiceert nieuwe staatssteun gids
Hof van Justitie EU: internationale normen in EU-richtlijnen moeten voor particulieren vrij toegankelijk zijn
Het Hof van Justitie heeft antwoord gegeven op prejudiciële vragen van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (“CBb”). Het CBb had vragen gesteld over, kort gezegd, de toepasselijke meetmethode om te bepalen of sigaretten voldoen aan de Europees vastgestelde maximumemissieniveaus voor teer, nicotine en koolmonoxide. Het antwoord van het Hof is niet alleen van belang voor de beslechting van het nationale geschil, maar is in bredere zin relevant als het gaat om de rechtsgevolgen van technische normen waar in Uniehandelingen naar wordt verwezen, maar die niet in het Publicatieblad van de Europese Unie worden bekendgemaakt. De toegang tot dergelijke normen moet volgens het Hof namelijk algemeen, doeltreffend, kosteloos en niet-discriminerend zijn, ook als op die normen intellectueel-eigendomsrechten rusten.
In artikel 3 van richtlijn 2014/40/EU (“de Tabaksproductenrichtlijn”) zijn de maximumemissieniveaus voor teer, nicotine en koolmonoxide voor sigaretten vastgelegd. Uit artikel 4 van de Tabaksproductenrichtlijn volgt dat die emissies worden gemeten volgens de meetmethoden die voortvloeien uit normen van de Internationale Organisatie voor Normalisatie (ISO). Deze normen worden tot op heden niet bekend gemaakt in het Publicatieblad van de EU. Een dergelijke verwijzing komt vaker voor. Er zijn circa 1200 Uniehandelingen die naar ISO-normen verwijzen. Deze ISO-normen worden doorgaans beschermd door intellectuele eigendomsrechten waarop ISO aanspraak maakt en worden daarom niet (openbaar) gepubliceerd.
De Stichting Rookpreventie Jeugd (“Stichting”) heeft in 2018 de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) verzocht te bewerkstelligen dat filtersigaretten die in Nederland worden aangeboden aan de maximumemissieniveaus teer, nicotine en koolmonoxide voldoen, waarbij een andere meetmethode werd toegepast, namelijk een waarvan volgens de Stichting in wetenschappelijke kring breed wordt aangenomen dat deze het beoogd gebruik van de sigaretten het best benadert. Bij toepassing van deze meetmethode, in plaats van de in de richtlijn voorgeschreven methode, zouden alle in Nederland verkochte filtersigaretten de maximumemissieniveaus overschrijden. De NVWA heeft het handhavingsverzoek afgewezen, onder verwijzing naar de (bindend voorgeschreven) ISO-normen. De rechtbank Rotterdam heeft in 2020 prejudiciële vragen gesteld over de artikelen 3 en 4 van de richtlijn, waarop het Hof bij arrest van 22 februari 2022 heeft geantwoord (ECLI:C:2022:101). Naar aanleiding van dit arrest heeft de rechtbank geoordeeld dat de ISO-normen niet aan de Stichting als particulier kunnen worden tegengeworpen, en dat de in die normen omschreven meetmethode niet voldoen aan de richtlijn, omdat met deze methode niet de emissieniveaus worden gemeten die bij beoogd gebruik van een sigaret vrijkomen. De rechtbank acht het, gelet op onderzoek van het RIVM, zeer waarschijnlijk dat de sigaretten bij toepassing van de alternatieve meetmethode niet voldoen aan de maximumemissieniveaus. De rechtbank Rotterdam heeft het beroep van de Stichting dan ook gegrond verklaard en de NVWA opgedragen een nieuw besluit te nemen dat strekt tot handhavend optreden.
In hoger beroep heeft het CBb opnieuw prejudiciële vragen gesteld. Het komt niet vaak voor dat in dezelfde zaak twee keer prejudiciële vragen worden gesteld, maar het CBb is van oordeel dat een aantal aspecten uit het eerste arrest van het Hof nog moeten worden verduidelijkt. Centraal staat de vraag of de ISO-normen waarnaar de richtlijn verwijst, kunnen worden tegengeworpen aan particulieren die hier, zoals de Stichting, wél (feitelijk) toegang tot hebben, ook al zijn deze normen niet in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt.
Volgens het Hof vereist het rechtsstaatbeginsel waarop de EU krachtens artikel 2 VEU is gegrondvest, vrije toegang tot het Unierecht voor alle natuurlijke en rechtspersonen van de Unie. Dit vereiste betreft in het bijzonder personen wier belangen een Uniehandeling beschermt. Zij moeten de mogelijkheid hebben om na te gaan of de verplichtingen die uit deze Uniehandeling voortvloeien daadwerkelijk worden nageleefd en of die Uniehandeling in overeenstemming is met het VEU, VWEU en Unierechtelijke beginselen.
Volgens het Hof lijkt de Stichting met haar vordering de doelstelling van bescherming van de menselijke gezondheid na te streven, waardoor zij kan worden aangemerkt als de behartiger van een door de richtlijn beschermd belang. Zij moet daarom kunnen nagaan of de sigaretten voldoen aan de in de richtlijn vastgestelde emissieniveaus. Dit vereist dat een dergelijke particulier vrije toegang tot die normen kan krijgen. Een vrije toegang betekent volgens het Hof dat de toegang tot de inhoud van die normen algemeen, doeltreffend, kosteloos en niet-discriminerend moet zijn. Dit geldt volgens het Hof ook wanneer die normen onder intellectuele eigendomsrechten vallen.
Wanneer de Uniewetgever verplichtingen invoert die verband houden met (internationale) normen en die door een uitdrukkelijke verwijzing in een handeling van de Unie een bindend karakter krijgen, en de Uniewetgever daarmee beoogt de belangen van particulieren (zoals de menselijke gezondheid) te beschermen, staat het aan de Unie om de kosten te dragen die verband houden met de organisatie van de toegang tot de officiële, authentieke versie van deze normen.
Meer concreet in dit specifieke geval stelt het Hof vast dat alle partijen – dus ook de Stichting – al toegang hadden tot de officiële, authentieke versie van de ISO-normen waarnaar in de betreffende richtlijn wordt verwezen. De Stichting kan zich in dergelijke omstandigheden niet beroepen op het feit dat deze normen niet zijn gepubliceerd in het Publicatieblad, teneinde te verkrijgen dat de emissieniveaus van teer, nicotine en koolmonoxide worden gemeten aan de hand van andere meetmethoden. Het is nu aan het CBb om uitspraak te doen.
De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit worden in de nationale procedure bij het CBb bijgestaan door Georges Dictus en Marije Batting.
Bron: arrest van het Hof van Justitie van 21 april 2026 in zaak C-155/24
met perscommuniqué
Hof van Justitie: Unierecht staat niet in de weg aan een nationaal verbod op online kansspelen, noch aan het verbinden van civielrechtelijke gevolgen aan dat verbod
Het Hof van Justitie oordeelt dat het Unierecht zich niet verzet tegen een vordering van een consument tot terugbetaling van verloren inzetten tegen exploitanten van online kansspelen die in een andere lidstaat zijn gevestigd, indien de betrokken kansspelen verboden waren in de lidstaat waar de consument woont. Het verbieden van online kansspelen is niet in strijd met vrij verrichten van diensten.
Twee in Malta gevestigde vennootschappen bieden online speelautomaten en weddenschappen op trekkingen van loterijen aan. Deze diensten waren via hun website met name in Duitsland toegankelijk. De vennootschappen beschikten over vergunningen van de Maltese kansspelautoriteit. Tussen 5 juni 2019 en 12 juli 2021 heeft een in Duitsland woonachtige consument gebruikgemaakt van deze diensten en een aantal inzetten verloren. Tot 1 juli 2021 gold in Duitsland een verbod op de meeste vormen van online kansspelen (“het verbod”). De activiteiten van de twee Maltese vennootschappen vielen onder het verbod. De betrokken consument stelde een vordering in tot teruggave van de verloren inzet jegens de twee Maltese vennootschappen. Deze vorderingen zijn overgedragen aan een onderneming, die de vordering bij de Maltese rechter heeft ingesteld.
De Maltese rechter heeft zeven prejudiciële vragen gesteld. De verwijzende rechter vraagt het Hof in essentie of de vrijheid van dienstverrichting, neergelegd in artikel 56 VWEU, zich verzet tegen het verbod wanneer exploitanten beschikken over een vergunning uit een andere lidstaat wiens regelgeving dezelfde doelen nastreeft. Daarnaast vraagt de verwijzende rechter naar de rechtsgevolgen van het verbod wanneer is besloten om dit te vervangen door een stelsel van voorafgaande goedkeuring en er een overgangsperiode is ingevoerd. Tot slot vraagt de verwijzende rechter naar de mogelijkheid om de nietigheid van de overeenkomst vast te stellen en de teruggave van de verloren inzetten te gelasten op grond van de gestelde onrechtmatigheid van de transacties.
Kansspelactiviteiten zijn diensten in de zin van artikel 56 VWEU. Het vrij verrichten van diensten kan worden beperkt om dwingende redenen van algemeen belang, zoals consumentenbescherming en de bescherming van de maatschappelijke orde. Gelet op het ontbreken van harmonisatie en het feit dat tussen de lidstaten op het gebied van kansspelen morele, culturele en sociale verschillen bestaan, beschikken lidstaten over een beoordelingsmarge bij het vaststellen van het beoogde beschermingsniveau.
Het Hof stelt om te beginnen vast dat de doelstelling om de natuurlijke goklust van de bevolking in geordende en gecontroleerde banen te leiden en de ontwikkeling en verspreiding van illegale kansspelen op zwarte markten tegen te gaan, ertoe strekt degenen voor wie de betrokken diensten worden verricht, te weten consumenten, en de maatschappelijke orde in de kansspelsector te beschermen. Bijgevolg kan deze doelstelling beperkingen op het vrij verrichten van diensten rechtvaardigen.
Vervolgens moet worden onderzocht, ten eerste, of een regeling geschikt is om dit doel te verwezenlijken (op het door de betrokken lidstaat nagestreefde beschermingsniveau en op samenhangende en stelselmatige wijze) en, ten tweede, of een dergelijke regeling niet verder gaat dan nodig is om dat doel te bereiken. Aan deze voorwaarden wordt volgens het Hof voldaan.
Online gokken kent specifieke risico’s, welke groter zijn dan de risico’s van gokken op fysieke locaties. Naast het ontbreken van direct contact tussen de consument en de exploitant, vormen de zeer gemakkelijke en permanente toegang tot kansspelen die op internet worden aangeboden en de potentieel grote omvang en hoge frequentie van het internationale aanbod, in een omgeving die bovendien wordt gekenmerkt door een isolement van de speler, anonimiteit en het ontbreken van sociale controle, een groot aantal factoren die een toename van gokverslaving en geldverkwisting door gokken en dus ook van de negatieve gevolgen daarvan in de hand werken.
In die context mag een lidstaat specifieke online kansspelen verbieden, terwijl de lidstaat andere vormen van gokken toestaat of bepaalde online gokactiviteiten aan afzonderlijke regelingen onderwerpt. Noch de aanzienlijke vraag van spelers, noch het feit dat de exploitant rechtmatig is gevestigd en onder toezicht staat in een andere lidstaat die soortgelijke doelstellingen nastreeft, volstaat om aan te tonen dat een dergelijk verbod onverenigbaar of ongepast is. Het staat immers elke lidstaat vrij om het eigen beschermingsniveau te bepalen.
Vervolgens komt het Hof toe aan het feit dat het verbod zal worden vervangen door een systeem van voorafgaande goedkeuring. Volgens het Hof heeft dit geen invloed op de evenredigheid of de coherentie van de eerdere regeling. Een dergelijke ontwikkeling kan namelijk deel uitmaken van een beleid van gecontroleerde uitbreiding, dat erop gericht is marktdeelnemers naar het toegestane kansspelaanbod te leiden. De invoering van een overgangsperiode sluit evenmin uit dat voor de eerdere periode de rechtsgevolgen van het toen geldende verbod worden getrokken.
Aangezien het verbod in overeenstemming is met artikel 56 VWEU, vormt de vaststelling van nietigheid van een overeenkomst tussen een consument en een in een andere lidstaat gevestigde exploitant die betrekking heeft op diensten die in de lidstaat van de consument verboden zijn, geen afzonderlijke beperking van de vrijheid van dienstverrichting.
Het Hof oordeelt tot slot dat het Unierecht een vordering tot teruggave van de verloren inzetten niet in de weg staat. In geval van bedrog of misbruik van recht kan geen beroep worden gedaan op het Unierecht, maar de vordering tot terugbetaling is volledig gebaseerd op het Duitse recht. De vraag of de deelname van een consument aan online kansspelen die in overeenstemming met het Unierecht verboden zijn, terwijl hij zich volledig bewust was van dat verbod en de eventuele gevolgen daarvan, misbruik van recht oplevert, moet dan ook aan de hand van het toepasselijke nationale recht worden beoordeeld.
Bron: arrest van het Hof van Justitie van 16 april 2026 in zaak C-440/23 met perscommuniqué
Hof van Justitie: Hongaarse wet die LGBTI+-ers stigmatiseert en marginaliseert is in strijd met het Unierecht
Het Hof van Justitie oordeelt - voor het eerst in een beroep tegen een lidstaat - dat artikel 2 VEU is geschonden. In dit artikel staan de waarden waarop de EU is gegrondvest. De Hongaarse wet die de toegang tot afbeeldingen en promotie van homoseksualiteit, geslachtswijziging en persoonlijke identiteit die afwijkt met het geboortegeslacht verbiedt of beperkt, is in strijd met het vrij verkeer van diensten, het Handvest, artikel 2 VEU en de AVG.
Hongarije heeft met de Wet tot invoering van strengere maatregelen tegen pedofiele delinquenten en tot wijziging van bepaalde wetten ter bescherming van kinderen (de “Wijzigingswet”) zijn nationale recht op bepaalde punten gewijzigd. Volgens de lidstaat waren deze wijzigingen bedoeld om minderjarigen te beschermen. De Wijzigingswet verbiedt of beperkt in essentie de toegang tot inhoud, in het bijzonder op audiovisueel gebied en in de reclame, waarin afwijkingen van de met het geboortegeslacht overeenkomende persoonlijke identiteit, geslachtsverandering of homoseksualiteit worden afgebeeld of gepromoot. De Europese Commissie heeft een beroep ingesteld wegens niet-nakoming bij het Hof van Justitie (“Hof”). De Commissie verzocht het Hof vast te stellen dat er sprake is van schending van het vrij verkeer van diensten in artikel 56 VWEU en verschillende daarvan afgeleide richtlijnen, van verschillende rechten verankerd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (“Handvest”), van de Algemene verordening gegevensbescherming ( “AVG”) en, tot slot, van artikel 2 VEU.
Het Hof oordeelt dat het beroep op alle punten gegrond is.
Ten eerste schendt de Wijzigingswet de vrijheid om diensten te verrichten en te ontvangen, verankerd in artikel 56 VWEU en in diverse bepalingen van de richtlijn inzake elektronische handel, de dienstenrichtlijn en de richtlijn inzake audiovisuele mediadiensten. Een beperking van deze rechten kan gerechtvaardigd worden op grond van bevordering van het belang van het kind of het recht van ouders om hun kinderen te verzekeren van opvoeding en scholing die in overeenstemming is met de godsdienstige, levensbeschouwelijke en opvoedkundige overtuiging. Bij het ontbreken van regels op Europees niveau beschikken lidstaten over een beoordelingsmarge bij het bepalen welke audiovisuele mediadiensten de lichamelijke, geestelijke of morele ontwikkeling van minderjarigen kunnen aantasten. De passende maatregelen die zij op deze grond nemen moeten wel evenredig zijn aan de mogelijke schade die het programma kan berokken. Dit houdt in dat die maatregelen niet verder gaan dan noodzakelijk is om deze ontplooiing te beschermen en dat zij niet onevenredig zijn aan dat doel.
Bovendien moeten de bepalingen van het Unierecht worden uitgelegd in het licht van de grondrechten die zijn neergelegd in het Handvest.
Dit betekent dat bij de uitoefening van de beoordelingsmarge het verbod op discriminatie op grond van geslacht of seksuele gerichtheid, neergelegd in artikel 21, lid 1 van het Handvest, in acht moet worden genomen. Dit verbod is als algemeen beginsel van het Unierecht dwingend van aard. Het Hof oordeelt dat dat hier niet het geval is. De Wijzigingswet gaat ervan uit dat iedere audiovisuele inhoud waarin afwijking van het geboortegeslacht of homoseksualiteit voorkomt, het belang van het kind schaadt. Deze benadering wijst op een voorkeur voor bepaalde seksuele identiteiten en gerichtheden boven andere, die daardoor worden gestigmatiseerd. Volgens het Hof is dit onverenigbaar met de vereisten die in een op pluralisme gebaseerde samenleving voortvloeien uit het verbod op discriminatie op grond van geslacht en seksuele gerichtheid. Aangezien daarmee de wezenlijke inhoud van dit verbod wordt miskend, blijken de betrokken beperkingen in geen geval gerechtvaardigd door de doelstelling om het belang van het kind te bevorderen.
Ten tweede vormt de Wijzigingswet een bijzonder ernstige inmenging in het verbod op discriminatie op grond van geslacht en seksuele geaardheid, eerbiediging van het privé, familie- en gezinsleven, de vrijheid van meningsuiting en informatie en het recht op menselijke waardigheid, allemaal gewaarborgd in het Handvest. In het bijzonder stigmatiseert en marginaliseert de Wijzigingswet niet-cisgenderpersonen en niet-heteroseksuele personen door hen louter op grond van hun genderidentiteit en seksuele gerichtheid als schadelijk voor de ontwikkeling van minderjarigen te bestempelen en door hen in verband te brengen met pedofiele criminaliteit. De titel van de Wijzigingswet brengt hen in verband met pedofiele criminaliteit, hetgeen deze stigmatisering versterkt en haatdragend gedrag jegens hen kan uitlokken.
Onder deze omstandigheden vormen de betrokken inmengingen een inbreuk op de wezenlijke inhoud van genoemde grondrechten en zij kunnen dan ook niet worden gerechtvaardigd.
Ten derde stelt het Hof, voor het eerst, een afzonderlijke schending van artikel 2 VEU vast. In het kader van een beroep wegens niet-nakoming zijn daarvoor ‘kennelijke en bijzonder ernstige schendingen’ vereist van een of meer van de waarden die de lidstaten gemeen hebben. De onderdelen van de Wijzigingswet die gericht zijn op inhoud die afwijkende genderidentiteiten, geslachtsverandering en homoseksualiteit afbeeldt of promoot, vormen namelijk een gecoördineerd geheel van discriminerende maatregelen die op duidelijke en bijzonder ernstige wijze afbreuk doen aan de rechten van niet-cisgenderpersonen of niet-heteroseksuele personen en aan de waarden van eerbied voor menselijke waardigheid, gelijkheid en eerbiediging van mensenrechten. Bijgevolg is deze wet strijdig met de identiteit zelf van de Unie als gemeenschappelijke rechtsorde in een samenleving die wordt gekenmerkt door pluralisme. Hongarije kan zich niet op goede gronden beroepen op zijn nationale identiteit om de vaststelling van een wet die de bovengenoemde waarden miskent te rechtvaardigen.
Tot slot oordeelt het Hof dat de Wijzigingswet in strijd is met de AVG en het recht op gegevensbescherming als gewaarborgd in het Handvest, als gevolg van het uitbreiden van de toegang tot in het strafregister opgenomen informatie over personen die zich jegens kinderen schuldig hebben gemaakt aan schending van de seksuele vrijheid en schending van de seksuele zeden. Hoewel die toegang in bepaalde omstandigheden rechtmatig kan blijken, stelt het Hof vast dat de Wijzigingswet de personen die toegang hebben tot gegevens in het strafregister alsmede de materiële voorwaarden voor toegang die nodig zijn om passende waarborgen te bieden voor de rechten en vrijheden van de personen wier gegevens aan de orde zijn, onvoldoende nauwkeurig omschrijft.
Bron: arrest van het Hof van Justitie van 21 april 2026 in zaak C-769/22 met Perscommuniqué
Lexology publiceert nieuwe staatssteun gids
Marleen Botman en Georges Dictus schreven het Nederlandse hoofdstuk in de nieuwe Panoramic State Aid quick reference guide, gepubliceerd door Lexology. Dit herziene hoofdstuk biedt waardevolle inzichten in ontwikkelingen op het gebied van staatssteun in Nederland, waaronder de mogelijkheden om in Nederland onrechtmatige steun aan te kaarten, recente rechtspraak, nationale trends en meer. Een digitale versie is op verzoek beschikbaar via deze link.