Waar ging de zaak over?
Een onderneming die zich richt op verhuur van evenementattributen produceert geluid vanwege af- en aanrijdende vrachtwagens. Omwonenden van de onderneming ervaren dit als geluidsoverlast. De omwonenden dienen een handhavingsverzoek in, waarna het college van burgemeester en wethouders de onderneming een last onder dwangsom oplegt vanwege overtreding van de maximale (piek)geluidsniveaus. De omwonenden stellen bezwaar en beroep in tegen dit handhavingsbesluit, omdat zij het niet eens zijn met de formulering ervan. Zij stellen (onder meer) dat in het besluit een beoordeling van de geluidshinder die afkomstig is van aankomende en vertrekkende vrachtwagens ontbreekt. Zij doen daartoe een beroep op de algemene zorgplicht uit art. 1.6 en 1.7 van de Omgevingswet. Daartegenover stelt het college dat de geluidhinder van het af- en aanrijdende vrachtverkeer geacht wordt te zijn opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Maatregelen ten aanzien van vervoersbewegingen die buiten de invloedssfeer van het bedrijf plaatsvinden zijn bovendien moeilijk afdwingbaar.
Artikel 1.6 en 1.7 van de Omgevingswet: de algemene zorgplicht
Op grond van artikel 1.6 van de Omgevingswet draagt een ieder voldoende zorg voor de fysieke leefomgeving. Deze artikelen bepalen dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving verplicht is die gevolgen te voorkomen, dan wel te beperken, dan wel de activiteit achterwege te laten. Deze algemene zorgplicht bouwt voort op algemene zorgplichten die vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet in diverse wetten waren opgenomen, zoals artikel 1.1a van de Wet milieubeheer.[1] Uit eerdere rechtspraak over deze zorgplichten volgt dat in beginsel slechts handhavend kan worden opgetreden in gevallen waarin ernstige nadelige gevolgen optreden of acuut dreigen op te treden, terwijl de bijzondere wet er niet op een andere wijze in voorziet om die gevolgen te voorkomen of zo veel mogelijk te beperken. Daarom bestaat enkel ruimte om handhavend op te treden op basis van de algemene zorgplicht als sprake is van onmiskenbare strijd met die zorgplicht.[2] Die hoedanigheid van de algemene zorgplicht in de Omgevingswet als vangnetbepaling, waarbij ze met name van belang zijn bij activiteiten die niet specifiek zijn gereguleerd, is inmiddels een aantal keer door de rechter herhaald.[3]
Hoe oordeelt de rechtbank?
De rechtbank gaat niet mee in het beroep op de algemene zorgplicht.
Daartoe overweegt de rechtbank ten eerste dat de gevolgen voor het milieu van het verkeer van en naar een bedrijf niet aan dit bedrijf worden toegerekend als dit verkeer geacht moet worden te zijn opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Dit volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling.[4] Zo’n geval doet zich voor wanneer het verkeer zich door zijn snelheid en rij- en stopgedrag niet onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg kan bevinden. Het betreffende vrachtverkeer rijdt in dit geval af en aan op een openbare weg, van een terrein waar meerdere bedrijven gevestigd zijn. Bovenstaand uitgangspunt gaat dan ook op voor de in deze zaak voorliggende situatie.
Ten tweede gaat de rechtbank niet mee in het beroep op de algemene zorgplicht. De rechtbank overweegt dat voor verkeersgeluid weliswaar geldt dat dit niet is gereguleerd, maar de reden daarvoor is dat een bedrijf niet individueel verantwoordelijk kan worden gehouden voor een breder heersend verkeersbeeld. De algemene zorgplicht strekt niet zo ver, dat deze regel uit de rechtspraak over verkeersgeluid niet (langer) geldt. De specifieke omstandigheden van deze zaak onderscheiden zich ook niet van de omstandigheden die gebruikelijkerwijs aan de orde zijn bij geluidsoverlastzaken waarin verkeersgeluid een rol speelt.[5] Nu het individuele bedrijf niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor de geluidsproductie, oordeelt de rechtbank dan ook dat niet op basis van de algemene zorgplicht gehandhaafd kan worden.
Tot slot
De geluidsproductie door af- en aanrijdende vrachtwagens in zijn geheel was in deze zaak niet (geheel) toe te rekenen aan de onderneming.
Deze uitspraak verduidelijkt de reikwijdte van de algemene zorgplicht in de Omgevingswet. Meestal gaat de aandacht uit naar de verhouding tussen specifieke regulering en de algemene zorgplicht als vangnetbepaling. In deze zaak gaat het daarentegen om de toepasselijkheid van de algemene zorgplicht. Hier was het niet (alleen) de onderneming die een activiteit verricht die nadelige gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving zoals bedoeld in artikel 1.7 van de Omgevingswet. Het geluid van vrachtverkeer van de betrokken onderneming op de openbare weg, waar omwonenden over klagen, gaat op in het heersende verkeersbeeld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college dit geluid daarom terecht buiten beschouwing gelaten bij het onderzoek naar de gestelde overtreding van de geluidsnormen.
Raadpleeg hier de uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant van 10 juni 2026.
[1] Rb. Den Haag 27 maart 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:7185, ro. 10.2; Kamerstukken II 2013/14, 33962, nr. 3, p. 67. Dit is ook de zorgplicht waar de omwonenden een beroep op doen, maar de rechtbank stoelt het beroep ambtshalve op de nieuwe Omgevingswet (zie ro. 3.2).
[2] Vzr. Rb. Gelderland 2 september 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:7400, ro. 5.4.
[3] Zie bijvoorbeeld Rb. Den Haag 27 maart 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:7185; Rb. Oost-Brabant 10 juni 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:4037; Vzr. Rb. Rotterdam 2 april 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:7598; Vzr. Rb. Rotterdam 14 februari 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:1816.
[4] Zie bijvoorbeeld ABRvS 24 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4397, ro. 9.1.
[5] Rb. Oost-Brabant 10 juni 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:4037, ro. 7.4.