Ga naar hoofdinhoud
Home Kennis Afdelingsuitspraken over het enquêtearchief: van politieke vertrouwelijkheid naar archiefrecht

Afdelingsuitspraken over het enquêtearchief: van politieke vertrouwelijkheid naar archiefrecht

5 juni 2026
Frank van Tienen
en
Stijn Visch

De raadsenquête is het zwaarste onderzoeksinstrument van de gemeenteraad. Met een enquête kan de raad diepgaand onderzoek doen naar het functioneren van het gemeentebestuur, getuigen horen en documenten vorderen. Dergelijk onderzoek leidt niet zelden tot omvangrijke dossiers met gevoelige informatie over het gevoerde beleid en de rol die bestuurders en ambtenaren daarin speelden. Op 20 mei 2026 deed de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak in zeven samenhangende zaken. Daarin stond centraal wat er op grond van de Archiefwet 1995 met de gevormde dossiers moet gebeuren, zodra zij naar het archief gaan.

Achtergrond van de procedures

De procedures hebben hun oorsprong in een door de gemeenteraad van de gemeente Zevenaar uitgevoerde onderzoekenquête naar het P&O-beleid van de gemeente. Aanleiding voor deze raadsenquête was het rapport Bunt uit 2005, een onderzoek naar het functioneren van de afdeling Handhaving. Dat rapport was de aanleiding voor langdurige procedures, waarbij de Centrale Raad van Beroep in zijn uitspraak van 19 maart 2015 kritiek uitte op de wijze waarop de gemeente met haar medewerkers was omgegaan. Naar aanleiding van die uitspraak stelde de gemeenteraad een enquêtecommissie in om onderzoek te doen naar P&O-beleid. 

In 2017 werd besloten om de enquêtebescheiden over te laten brengen naar het streekarchief en tegelijkertijd de openbaarheid daarvan te beperken voor een periode van 75 jaar. Dat besluit leidde tot deze reeks procedures.

Die procedures draaiden in de kern om de vraag of de vertrouwelijkheid die tijdens de enquête gold, ook nog geldt na archivering van de documenten. En, als dat niet het geval is, wie beslist over wat toegankelijk wordt voor het publiek.

Rechtsbescherming tegen beperking van de openbaarmaking

De eerste uitspraak gaat over de rechtsbescherming tegen de besluiten waarmee de openbaarheid van de bescheiden was beperkt. In de uitspraak stond de vraag centraal of deze beslissingen externe rechtsgevolgen hebben en daarmee appellabele besluiten zijn. Het college had betoogd dat een beperkingenbesluit uitsluitend intern werkte richting de archivaris en daarom geen appellabel besluit was. De Afdeling heeft dat standpunt verworpen: een beperkingenbesluit verandert de juridische status van archiefbescheiden. Zonder een dergelijk besluit zijn deze documenten immers openbaar. Hierdoor heeft het externe rechtsgevolgen voor derden, die van deze documenten geen kennis (meer) kunnen nemen. Daarom kan er rechtsbescherming worden gezocht bij de bestuursrechter.

De uitspraak over bekendmaking en selectie behandelt twee praktische kwesties. Beperkingenbesluiten moeten worden bekendgemaakt in het Gemeenteblad. Dat is ook het moment dat de bezwaartermijn aanvangt. Overigens mogen niet alle enquêtebescheiden automatisch blijvend worden bewaard. Eerst moet een beoordeling plaatsvinden aan de hand van selectielijsten en archiefrechtelijke waarderingscriteria. Sommige documenten kunnen daarna openbaar of beperkt openbaar blijven, andere moeten worden vernietigd.

Welk bestuursorgaan is bevoegd?

De meest uitgebreide uitspraak in de reeks betreft de vraag wie bevoegd is om te beslissen over (beperkingen aan de) openbaarheid van de enquêtestukken. De gemeenteraad en de enquêtecommissie ontlenen hun onderzoeks- en controlebevoegdheden aan de Gemeentewet. Deze wet bepaalt ook welk vertrouwelijkheidsregime tijdens de enquête geldt. Maar zodra enquêtebescheiden zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats, is dat vertrouwelijkheidsregime niet langer van toepassing. Vanaf dan is de Archiefwet 1995 het geldende regime. De Afdeling benadrukt in dat verband dat de Archiefwet 1995 een gesloten bevoegdhedenstelsel kent: artikel 15 wijst uitsluitend de zorgdrager aan als bevoegd orgaan om beperkingen aan de openbaarheid op te leggen. Voor gemeentelijke archieven is dat altijd het college. Dat heeft als consequentie dat het college zeggenschap krijgt over het al of niet openbaar maken van documenten die betrekking hebben op het onderzoek naar het functioneren van datzelfde college (of diens voorgangers), zonder dat de door de enquêtecommissie opgelegde geheimhouding nog doorwerkt.

Overwegingen over specifieke thema’s (beperking, selectie en AVG)

De andere vier uitspraken behandelen meer specifieke thema’s. In de vierde uitspraak stond een beperking van de openbarmaking tot het jaar 2092 centraal. De Afdeling liet die beperking in stand omdat nog een aansprakelijkstelling liep en er dus een actueel belang bestond bij deze beperking. Zolang een procedure gaande is waarbij de archiefbescheiden als bewijsmateriaal kunnen dienen, kunnen archiveringsbelangen en juridische bewijsbelangen langdurige beperkingen rechtvaardigen.

De vijfde uitspraak maakt, zoals hiervoor ook al kort aan de orde kwam, duidelijk dat niet elk document uit een enquêtedossier automatisch naar het archief is overgebracht. De Afdeling onderscheidt personeelsdossiers — die de enquêtecommissie na het onderzoek had teruggegeven — van afzonderlijke individuele klachtdossiers die wel deel uitmaakten van het enquêtearchief en rechtmatig waren gearchiveerd.

De zesde uitspraak betreft een koerswijziging in de toepassing van artikel 17 AVG. Onder verwijzing naar rechtspraak van het Hof van Justitie oordeelt de Afdeling dat eerst moet worden vastgesteld óf een recht op verwijdering van gegevens bestaat op grond van artikel 17, eerste lid, AVG, voordat wordt beoordeeld of een uitzondering dat recht opzij zet. Die volgorde was in de eerdere rechtspraak van de Afdeling nog omgekeerd.

In de zevende uitspraak werkt de Afdeling de verhouding tussen de Archiefwet en de AVG uit. De Afdeling benadrukt dat de onrechtmatigheid van een document — zoals het geval was met het rapport van Bunt, dat door de Centrale Raad van Beroep was beoordeeld — niet automatisch betekent dat verdere verwerking van de daarin opgenomen persoonsgegevens onrechtmatig is. Of de verdere verwerking onrechtmatig is moet afzonderlijk worden onderzocht. Verder verduidelijkt de Afdeling dat zowel het college als de archivaris zelfstandig verwerkingsverantwoordelijke kunnen zijn binnen het archiefstelsel, zonder dat sprake hoeft te zijn van gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijkheid.

Terugkoppeling aan de wetgever

De Afdeling vindt het problematisch dat het college zeggenschap krijgt over documenten die betrekking hebben op raadsonderzoek naar het functioneren van datzelfde college. Dit is in de staatsrechtelijke rolverdeling tussen raad en college geen wenselijke situatie. De Afdeling ziet zich echter gebonden aan de Archiefwet 1995.

De Afdeling koppelt het geconstateerde probleem terug aan de wetgever. Het is volgens de Afdeling aan de wetgever om een regeling te treffen om de onwenselijke situatie te voorkomen die zich op dit moment kan voordoen ten aanzien van de archiefbescheiden van een gemeentelijke enquêtecommissie. Op landelijk niveau is dit geen probleem, omdat de Archiefwet 1995 (in artikel 23) bepaalt dat de Tweede Kamer als zorgdrager voor haar archiefbescheiden openbaarheidsbeperkingen op de archiefbescheiden van een – op grond van de Wet parlementaire enquête 2008 ingestelde – enquêtecommissie kan leggen.

Op 12 mei 2026, acht dagen voor de Zevenaar-uitspraken, nam de Eerste Kamer nieuwe Archiefwet aan, die naar verwachting op 1 januari 2027 in werking zal treden. Het is evenwel de vraag of het door de Afdeling geconstateerde probleem daarmee is opgelost, nu ook de nieuwe Archiefwet (in artikel 2.2, tweede lid) uitgaat van het college als zorgdrager. 

Aandachtspunten voor de praktijk

Op grond van artikel 15 van de Archiefwet 1995 is op dit moment het college als zorgdrager voor gemeentelijke archieven het bevoegde orgaan om beperkingen aan de openbaarheid op te leggen. Dit geldt voor archiefbescheiden van een gemeentelijke enquêtecommissie en voor documenten waarop (op grond van de Gemeentewet) om andere redenen geheimhouding rust die is opgelegd door een ander bestuursorgaan dan het college.

Voor nu geldt – totdat de wetgever een eventuele regeling heeft getroffen – voor de praktijk het volgende. Als het college documenten naar een archiefbewaarplaats overbrengt waarop op grond van de Gemeentewet nog geheimhouding rust, moet het college het bestuursorgaan dat de geheimhouding heeft opgelegd (bijvoorbeeld de enquêtecommissie) raadplegen. Aan de zienswijze van dat bestuursorgaan moet het college groot gewicht toekennen bij zijn beslissing over het al dan niet onder beperkingen van de openbaarheid overbrengen van de desbetreffende documenten naar de archiefbewaarplaats.

Bronnen