Wat speelde er in deze zaken?
De zaken gaan over twee bedrijven die deelnemen aan de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties (Lbv). De provincie Noord-Brabant (gedeputeerde staten) heeft aan de bedrijven een vergunning verleend voor het stoppen van een veehouderij en het omschakelen naar een ondersteuningsbedrijf voor akkerbouwactiviteiten.
Bij de beoordeling van deze vergunningaanvragen hebben gedeputeerde staten de gevolgen van de teelt van gewassen op omliggende akkers buiten beschouwing gelaten. Voor de beantwoording van de vraag of dat terecht achterwege is gelaten, is bepalend of de teelt van gewassen en de akkerbouwondersteuningsactiviteiten als één project moeten worden beschouwd in de zin van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn.
Hoe oordeelde de rechtbank?
De vraag of activiteiten samen één project vormen is afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het concrete geval. Van belang bij de beantwoording van deze vraag is onder meer of de activiteiten naar aard, tijd en ruimte van elkaar te onderscheiden zijn, of sprake is van onlosmakelijke samenhang en of de ene activiteit een noodzakelijke voorwaarde is om de andere te kunnen uitvoeren. De rechtbank oordeelt als volgt:
“Op dit moment zijn de omliggende akkers in eigendom van vergunninghoudster. Vergunninghoudster heeft echter ook akkers in eigendom, pacht of gebruik op grotere afstand van het ondersteuningsbedrijf. De akkers worden bewerkt met de machines van het ondersteuningsbedrijf maar vergunninghoudster kan ook een derde hiervoor inschakelen. De rechtbank neemt daarnaast op basis van wat is besproken tijdens de zitting aan dat de akkers van vergunninghoudster in sommige jaren of teeltperiodes ook door andere agrariërs kunnen worden gebruikt (al dan niet op basis van een pachtovereenkomst of nadat ze aan een andere agrariër in gebruik zijn gegeven) en dat vergunninghoudster niet alleen teelt op de eigen akkers maar ook op akkers van andere agrariërs die zij pacht en/of gebruikt. De plaats waarop de akkerbouw plaatsvindt is dus niet continu dezelfde maar is afhankelijk van de planning van de teelt. De akkerbouw verlangt een stelselmatige wisseling van gewassen. Die gewassen worden niet altijd door dezelfde agrariër geteeld. Die teelt kan ook de toepassing van verschillende gewasbestrijdingsmiddelen verlangen.
Deze wisseling van gewassen betekent dat er geen continuïteit is in de teelt van gewassen, de akkers waarop wordt geteeld, de agrariër die de gewassen teelt en de manier waarop de gewassen worden geteeld. Ook de gevolgen van de teelt voor Natura 2000-gebieden kunnen dus doorlopend variëren. Daarom bestaat er naar het oordeel van de rechtbank geen onlosmakelijke samenhang tussen de akkers en het ondersteuningsbedrijf ten tijde van de aanvraag, ten tijde van het bestreden besluit of op dit moment.
De rechtbank is daarnaast van oordeel dat akkerbouw op één specifieke akker niet noodzakelijk is voor het ondersteuningsbedrijf, omdat dit bedrijf ook gewassen op andere akkers kan telen. Ook is het ondersteuningsbedrijf niet noodzakelijk voor de teelt op één specifieke akker, omdat die gewassen ook door een andere agrariër kunnen worden geteeld.”
De rechtbank concludeert dat het ondersteuningsbedrijf ten behoeve van akkerbouwactiviteiten als afzonderlijk project kan worden aangemerkt. Het college heeft daarom terecht de gevolgen van de teelt van gewassen op omliggende akkers niet meegenomen in de beoordeling.
Raadpleeg hier de volledige uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant van 20 oktober 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:7430.
Raadpleeg hier de volledige uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant van 20 oktober 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:7469.