Wat speelde er in deze zaak?
Na de bouw van de rioolwaterzuiveringsinstallatie Camperlandpolder (RWZI) is een sloot gegraven langs de Bosdijk te Kamperland. In deze sloot wordt het teveel aan water, oftewel het effluent, uit de RWZI na het zuiveringsproces geloosd. Deze effluentsloot ligt zowel naast de RZWI als naast een akker. Door de aanhoudende droogte in de zomer van 2022 hadden agrariërs water nodig om hun gewassen van water te voorzien. Dit water werd onder meer uit sloten, waterlopen en uit de grond gehaald. Omdat het waterpeil in de sloten en waterlopen en de grondwaterstand als gevolg hiervan daalde, besloot de dijkgraaf van het waterschap Scheldestromen op 22 juli 2022 tot een onttrekkingsverbod van water aan oppervlaktewaterlichamen voor vrijwel de gehele provincie Zeeland. Dit op grond van artikel 4.4, lid 1, aanhef en onder b, van de Keur watersysteem Waterschap Scheldestromen 2012 (de Keur). Op 3 augustus 2022 constateerde de toezichthouder van het waterschap dat de agrariër de akker beregende met water uit de effluentsloot en nog dezelfde dag legt het dagelijks bestuur van het waterschap de agrariër een last onder dwangsom op. De agrariër gaat in bezwaar, wat het dagelijks bestuur ongegrond verklaart op 15 november 2022. De agrariër gaat vervolgens in beroep bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant.
De vraag waar de rechtbank zich over moest buigen was of de effluentsloot wel een oppervlaktewaterlichaam was en daarmee ook onder het onttrekkingsverbod viel. De rechtbank vond van niet en overwoog dat het dagelijks bestuur van het waterschap onvoldoende had onderbouwd dat de effluentsloot een oppervlaktewaterlichaam is waarvoor het verbod gold. De rechtbank overwoog, onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 18 november 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3533, r.o. 2.1) en 13 mei 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1530, r.o. 20.2) dat een waterloop aangemerkt wordt als een oppervlaktewaterlichaam wanneer daarin een normaal ecosysteem aanwezig is én wanneer die waterweg in verbinding staat met een oppervlaktewaterlichaam. Er zou volgens de rechtbank wel sprake zijn van een verbinding met een ander oppervlaktewaterlichaam, maar geen sprake van een normaal ecosysteem. De rechtbank vernietigde de ongegrondverklaring van 15 november 2022 en herroept de last onder dwangsom van 3 augustus 2022.
Hoe oordeelt de Afdeling?
In het kort oordeelt de Afdeling dat de effluentsloot wel moet worden aangemerkt als een (onderdeel van een) oppervlaktewaterlichaam.
De Afdeling begint met de overweging dat, uit de jurisprudentie die door de rechtbank is aangehaald, niet volgt dat er sprake is van cumulatieve voorwaarden waaraan een waterloop moet voldoen om deze als een oppervlaktewaterlichaam aan te merken. Uit artikel 1.1, lid 1, van de Waterwet en artikel 1.1, onder m, van de Keur volgt volgens de Afdeling dat een samenhangend geheel van vrij aan het aardoppervlak voorkomend water in beginsel een (onderdeel van een) oppervlaktewaterlichaam is.
De Afdeling stelt vervolgens vast dat de effluentsloot een sloot is van ongeveer 200 meter lang waarin het teveel aan effluent uit de RWZI wordt geloosd. In deze sloot is door de agrariër een stuw aangebracht. Als er te veel water op de sloot wordt geloosd, stroomt het water via een systeem van waterwegen uiteindelijk in het Veerse Meer, dat zonder meer kwalificeert als een oppervlaktewaterlichaam. De Afdeling hecht verder waarde aan wat de hydrologen van het waterschap hierover hebben toegelicht. Zij hebben in een rapportage opgemerkt dat de effluentslot altijd een waterafvoerende functie heeft en jaarrond in verbinding staat met het omliggende water. De Afdeling oordeelt dat de effluentsloot een, anders dan incidenteel aanwezige, watermassa is die in verbinding staat met ander oppervlaktewater, oftewel een oppervlaktewaterlichaam. Ook was er volgens de Afdeling geen sprake van een uitzonderingssituatie zoals bedoeld in de uitspraken van 13 mei 2015 en 18 november 2015.
Het argument van de agrariër dat het water van de effluentsloot naar een afgesloten buffersloot wordt gepompt en dit water nooit deel heeft uitgemaakt van het slotensysteem kan volgens de Afdeling niet tot een ander oordeel leiden. Het water wordt namelijk uit de effluentsloot onttrokken en dat is nou juist een oppervlaktewaterlichaam. De Afdeling vernietigt, al met al, de rechtbankuitspraak.
Relevantie voor de praktijk
Ook onder huidig recht blijft deze uitspraak nog relevant. Een oppervlaktewaterlichaam is in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet gedefinieerd als “een samenhangend geheel van vrij aan het aardoppervlak voorkomend water, met de daarin aanwezige stoffen, en de bijbehorende bodem en oevers, alsmede flora en fauna.” Deze definitie is – voor zover relevant – hetzelfde als die uit de Waterwet. Dit betekent dat de bestaande jurisprudentie relevant blijft om te bepalen wat wel of niet een oppervlaktewaterlichaam is.
Raadpleeg hier de volledige uitspraak van de Afdeling van 18 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:917.