Ontvankelijkheid
Om ontvankelijk te zijn in een klacht voor het EHRM wordt getoetst of een klager voldoet aan het vereiste van ‘victim status’ als vastgelegd in artikel 34 EVRM: een klager moet aannemelijk maken persoonlijk slachtoffer te zijn van een schending van een uit het EVRM voortvloeiend verdragsrecht. Een belangenorganisatie die voor bepaalde groepen personen opkomt zal in veel gevallen niet aan dat vereiste voldoen. Het is dan ook uitzonderlijk dat belangenorganisaties een zaak voor het EHRM kunnen brengen.
In KlimaSeniorinnen[1] heeft het EHRM specifiek voor klimaatzaken een andere ontvankelijkheidstoets ontwikkeld. Er is in klimaatzaken meer ruimte voor belangenorganisaties om een klacht in te dienen voor het EHRM (zie ook ons artikel hierover in Maandblad voor Vermogensrecht 2024/10).
In klimaatzaken zijn de ontvankelijkheidseisen voor een belangenorganisatie voor het EHRM vergelijkbaar met de ontvankelijkheidseisen voor belangenorganisaties in een WAMCA-procedure en die zijn vastgelegd in artikel 3:305a BW. Om ontvankelijk te zijn voor het EHRM in een klimaatzaak moet de organisatie, kort gezegd, rechtmatig opgericht zijn als vereniging, zich bezighouden met de verdediging van mensenrechten op het gebied van milieu en voldoende representatief zijn om de leden te vertegenwoordigen. Uit de recente Cannavacciuolo-uitspraak van het EHRM volgt in ieder geval dat dit kader inderdaad enkel geldt voor klimaatzaken, en niet voor andere (grootschalige) milieuzaken voor het EHRM.[2]
In KlimaSeniorinnen heeft het EHRM ook nader gespecificeerd wat een individu in een klimaatzaak moet aantonen om aan de vereiste van ‘victim status’ te voldoen. Vereist is dat de klager persoonlijk en direct geraakt wordt door het nalaten van een verdragsstaat om aan diens positieve verplichtingen te voldoen. Dat houdt dat de klager moet aantonen (a) in hoge mate blootgesteld te worden aan een de negatieve gevolgen van klimaatverandering (“a high intensity of exposure to the adverse effects of climate change”) én (b) dat er een dringende noodzaak moet zijn om de individuele klager te beschermen vanwege het gebrek aan of de ontoereikendheid van redelijkerwijs te vragen maatregelen om schade te beperken.
In Fliegenschnee[3] wordt dit ontvankelijkheidskader toegepast. Het Hof oordeelt dat de drie klagers – inwoners van Oostenrijk - niet voldoende bewijs hebben geleverd van persoonlijke schade door klimaatverandering of van specifieke kwetsbaarheden die met zich brengen dat zij een bijzonder risico lopen bij of vanwege klimaatverandering. De drie klagers zijn dan ook niet succesvol in hun klacht.
Ook de belangenorganisatie blijkt niet succesvol te zijn. Het Hof stelt vast dat de belangenorganisatie weliswaar wettelijk erkend is als milieuorganisatie onder Oostenrijks recht en daarmee in principe bevoegd is om op te treden, maar dat onduidelijk is of ook aan de overige vereisten wordt voldaan. Niet evident is volgens het EHRM dat deze organisatie zich bezighoudt met verdediging van mensenrechten op het gebied van milieu, en dat de organisatie voldoende representatief is om zijn leden te vertegenwoordigen in een procedure als hier aan de orde. Het Hof laat in het midden of aan het vereiste van ‘victim status’ wordt voldaan omdat het de klacht op andere gronden afwijst (zie hieronder).
Artikel 8
Net als in KlimaSeniorinnen behandelt het EHRM de klacht enkel op basis van artikel 8 EVRM. Het EHRM stelt vast dat verdragsstaten in het kader van klimaatmitigatie een beperkte beoordelingsmarge (‘margin of appreciation’) hebben waar het gaat om het committering aan het tegengaan van klimaatverandering en het nemen van de noodzakelijke mitigatiemaatregelen; verdragsstaten hebben echter een brede ‘margin of appreciation’ waar het gaat om de keuze voor maatregelen die in dat kader worden genomen. Dat laatste brengt zich dat het EHRM, mede onder verwijzing naar de rol die het EHRM ten opzichte van verdragsstaten inneemt, oordeelt dat artikel 8 EVRM geen recht geeft op een specifieke mitigatiemaatregel; in dit geval een totaalverbod op de verkoop van fossiele brandstoffen.
Het EHRM stelt verder vast dat niet voldoende is onderbouwd dat Oostenrijk heeft nagelaten een regelgevingskader op te stellen waarin de vereiste doelstellingen en streefcijfers in het kader van klimaatverandering zijn vastgelegd of waarom de bestaande regelgeving als ontoereikend zou moeten worden beschouwd. De stelling van de belangenorganisatie dat Oostenrijk onvoldoende zou doen omdat het zijn klimaatdoelstelling voor 2030 naar verwachting niet gaat halen, is gezien het overall beoordelingskader uit KlimaSeniorinnen (zie paragraaf 550 van die uitspraak), onvoldoende om een schending van artikel 8 EVRM aan te nemen zo oordeelt het EHRM.
Recht op eigendom
In Fliegenschnee werd het EHRM ook – en overigens voor het eerst – gevraagd zich uit te laten over de verhouding tussen klimaatverandering en het recht op eigendom (artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM). Het Hof constateert dat dit artikel nog niet eerder aan de orde is geweest in klimaatzaken en stelt dat dit gezien de bestaande jurisprudentie ook niet in de rede ligt. Zelfs als dat anders zou zijn, strand de procedure op het vereiste van victim status. De klager in kwestie op dit punt, een boer, had slechts in algemene zin gesteld dat diens gewassen een risico liepen vanwege droogte als gevolg van klimaatverandering. Dat was voor het hof onvoldoende.
Conclusie
Het EHRM verklaart de klagers – de drie personen en de belangenorganisatie - vanwege het bovenstaande niet ontvankelijk in hun klacht. Fliegenschnee volgt daarmee een reeks van decisions waarin het EHRM klimaatgerelateerde klachten niet-ontvankelijk heeft verklaard. De zaak Müllner, die momenteel tegen Oostenrijk aanhangig is bij het EHRM, wordt wel inhoudelijk behandeld en mogelijk zal hierin een nadere uitwerking worden gegeven van het kader dat het EHRM in KlimaSeniorinnen heeft ontwikkeld, ook waar het gaat om het aannemen van ‘victim status’ van individuen.
[1] EHRM 30 mei 2025, 14615/21 (Uricchio t. Italië e.a.) EHRM 30 mei 2025, 14620/21 (De Conto t. Italië e.a.), EHRM 28 augustus 2025, 46906/22 (Engels e.a. t. Duitsland)
[2] EHRM 30 januari 2025, 51567/14 e.a. (Cannavacciuolo ea. t. Italië)
[3] EHRM 18 november 2025, 40054/23 (Fliegenschnee e.a. t. Oostenrijk)