Ga naar hoofdinhoud
Home Kennis EU-alert 7 juli 2026

In deze nieuwsbrief vindt u een overzicht van belangrijk Europeesrechtelijk nieuws. Wilt u op de hoogte blijven van de laatste ontwikkelingen op het gebied van het Europees recht? Schrijf u dan in voor onze tweewekelijkse nieuwsbrief.

Abonneren nieuwsbrief Europees recht

In deze nieuwsbrief:

  • Rechtbank Den Haag: leges voor aanvraag verhuurvergunning in strijd met de Dienstenrichtlijn

  • Gerecht: Europese Commissie moest selectiviteit van steunmaatregelen op individueel niveau vaststellen

  • Hof van Justitie: Unierecht nog steeds van toepassing op geschillen onder Brits recht die dateren van voor de Brexit

  • Hof van Justitie: Frankrijk mag leeftijdsverificatie eisen voor gebruikers van pornografische websites en de doorgifte van informatie over bepaalde verkeerscontroles verbieden

Rechtbank Den Haag: leges voor aanvraag verhuurvergunning in strijd met de Dienstenrichtlijn

De Rechtbank Den Haag oordeelt dat de leges die de gemeente Leiden in rekening brengt voor het behandelen van verhuurvergunningen in strijd zijn met de Dienstenrichtlijn. De gemeente heeft de gemiddelde behandelduur onvoldoende onderbouwd en de Rechtbank overweegt dat de aanvraag in kwestie relatief eenvoudig was. De Rechtbank oordeelt dat het vaste tarief van €938,50 daarom niet redelijk is en onevenredig is met de kosten van de vergunningsprocedure.

Om haar woning te mogen verhuren, vroeg eiseres in deze zaak op grond van de Verhuurverordening 2024 van de gemeente Leiden een verhuurvergunning aan. De heffingsambtenaar van de gemeente Leiden (“verweerder”) bracht daarvoor het vaste tarief van €938,50 aan leges in rekening (“de leges”). Eiseres was het met de hoogte van die leges niet eens en ging daarom in beroep. Daarin voerde zij aan dat de leges in strijd waren met artikel 13, lid 2, van de Dienstenrichtlijn (Richtlijn 2006/123/EG). Dit artikel bepaalt dat eventuele kosten voor aanvragers in verband met hun aanvraag redelijk moeten zijn, evenredig moeten zijn met de kosten van de vergunningsprocedures in kwestie en dat deze niet hoger moeten zijn dan de kosten van de aanvraagprocedure.

Op basis van Europese rechtspraak laat artikel 13, lid 2 Dienstenrichtlijn volgens de Rechtbank toe dat forfaitaire bedragen worden gehanteerd voor de dienstverlening in verband met vergunningsprocedures, mits deze bedragen gebaseerd zijn op de gemiddelde kosten en weinig verschillen van de werkelijke kosten in elk individueel geval.

De Rechtbank oordeelt vervolgens dat de leges voor de Leidse verhuurvergunning evenwel niet aan deze voorwaarden voldoen.

Naar het oordeel van de Rechtbank is de gemiddelde behandelduur van tien uur per aanvraag om twee redenen aan de hoge kant. Ten eerste acht de Rechtbank het aannemelijk dat de beoordeling van het aanvraagformulier en de drie bijlagen minder tijd kost dan het college en verweerder stellen. Het niet aanleveren van een van deze bijlagen, het onderhoudsplan, is immers geen grond om de vergunning te weigeren. De tweede reden waarom de Rechtbank de gemiddelde behandelduur van tien uur per aanvraag aan de hoge kant acht, heeft te maken met het aantal behandelde aanvragen in de zomer van 2024. Het college heeft verklaard dat binnen een termijn van 8 weken op 800 aanvragen is beslist. Dat suggereert dat de gemiddelde behandelduur in werkelijkheid veel minder is dan tien uur per aanvraag.

Daarnaast overweegt de Rechtbank dat uit Europese rechtspraak volgt dat de leges een redelijke weergave van de totale kosten moeten zijn en weinig moeten verschillen van de werkelijke kosten in elk individueel geval. De Rechtbank acht het aannemelijk dat de aanvragen sterk variëren in complexiteit en logischerwijs leidt een hogere mate van complexiteit tot een langere behandelduur. Gelet op het doel van artikel 13, lid 2 van de Dienstenrichtlijn mogen individuele gevallen echter niet onevenredig financieel belemmerd worden. In dat kader overweegt de Rechtbank dat de aanvraag van eiseres relatief eenvoudig was, aangezien de gemeente haar geen vragen heeft gesteld en de locatie niet bezocht heeft. De Rechtbank acht het dan ook onaannemelijk dat de werkelijke kosten van de behandeling van de vergunningsaanvraag ongeveer €938,50 bedroegen.

De Rechtbank concludeert dat de leges (i) niet redelijk en evenredig zijn met de kosten van de vergunningsprocedure, en (ii) de kosten van de aanvraagprocedure overschrijden. Daarmee zijn de leges in strijd met artikel 13, lid 2 van de Dienstenrichtlijn.

Bron: uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 28 april 2026 in zaak ECLI:NL:RBDHA:2026:10072

Gerecht: Europese Commissie moest selectiviteit van steunmaatregelen op individueel niveau vaststellen

Het Gerecht van de Europese Unie verklaart een besluit van de Commissie nietig. De Commissie heeft de selectiviteit van de steunmaatregelen als geheel beoordeeld, zonder daarbij te beoordelen of een van de individuele maatregelen selectief was. Het Gerecht oordeelt dat sprake is van selectiviteit omdat Wizz Air in de praktijk de enige luchtvaartmaatschappij was die voor de steun in aanmerking kwam.

AITTV is de exploitant van de Roemeense luchthaven van Timișoara en is voor 80% in handen van de Roemeense staat. AITTV heeft in 2008 overeenkomsten gesloten met de Hongaarse lagekostenmaatschappij Wizz Air. Twee van deze overeenkomsten zijn in 2010 gewijzigd door een nieuwe kortingsregeling tussen Wizz Air en AITTV. Naar aanleiding van een klacht van concurrent Carpatair stelde de Europese Commissie een onderzoek in naar de overeenkomstig de luchtvaartgidsen 2007, 2008 en 2010 toegekende kortingen en de overeenkomsten van 2008 en 2010.

Volgens de Commissie was geen sprake van staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1 VWEU, omdat de kortingen uit de luchtvaartgidsen niet selectief waren en de overeenkomsten een economisch voordeel opleverden dat Wizz Air ook zou hebben verkregen onder normale marktomstandigheden. Carpatair vordert de nietigverklaring van het besluit voor zover daarin is vastgesteld dat de luchtvaartgids 2010 en de overeenkomsten van 2008 en 2010 geen staatssteun vormen.

Het Gerecht oordeelt dat Carpatair geen procesbevoegdheid heeft wat betreft de overeenkomsten van 2008 en 2010, omdat deze overeenkomsten Carpatair niet individueel raken. Het Gerecht verklaart dit deel van het beroep niet-ontvankelijk. Het deel van het beroep dat ziet op de luchtvaartgids 2010 is daarentegen wel ontvankelijk.

Het stelsel van luchthavengelden en de kortingen van de luchtvaartgids waren in beginsel van toepassing op alle luchtvaartmaatschappijen die van de luchthaven gebruikmaakten of konden gebruikmaken. De twee cumulatieve criteria van punt 7.3 van de luchtvaartgids 2010 waren echter zodanig geformuleerd dat de kring van potentiële begunstigden van die kortingen noodzakelijkerwijs beperkt was. Het Gerecht oordeelt dat als onvermijdelijk gevolg van die criteria slechts een zeer beperkt aantal maatschappijen, die beschikten over vliegtuigen met een maximumstartgewicht van meer dan 70 ton en in staat waren om meer dan 10.000 passagiers per maand te vervoeren, aanspraak kon maken op de korting van 72 tot 85%. Daarnaast was deze korting veel hoger dan de kortingen voorzien in punten 7.1 en 7.2 van de luchtvaartgids 2010. De Commissie heeft niet toegelicht waarom de gezamenlijke beoordeling van de kortingen relevant was voor de selectiviteit en niet onderzocht of de korting in kwestie Wizz Air op grond van de criteria bevoordeelde en andere luchtvaartmaatschappijen uitsloot. Daarnaast heeft de Commissie in haar besluit niet beoordeeld of andere luchtvaartmaatschappijen een passende vloot hadden die aan de criteria van punt 7.3 van de luchtvaartgids 2010 voldeed. Tot slot merkt het Gerecht op dat in vergelijking met de kortingen uit punten 7.1 en 7.2 van de luchtvaartgids 2010, de korting uit punt 7.3 voorzag in een veel hoger en minder progressief kortingspercentage. Dit roept volgens het Gerecht des te meer twijfels op over het niet-selectieve karakter van deze heffingskorting.

Op basis van het bovenstaande oordeelt het Gerecht dat de Commissie het recht onjuist heeft toegepast door niet te onderzoeken of de korting uit punt 7.3 van de luchtvaartgids 2010 afzonderlijk bedoeld was om selectief te worden toegepast. Het Gerecht verklaart het besluit nietig voor zover de Commissie daarin vaststelt dat geen sprake is van staatssteun omdat de luchtvaartgids 2010 niet selectief is.

Bron: arrest van het Gerecht van 13 mei 2026 in zaak T-522/20 RENV

Hof van Justitie: Unierecht nog steeds van toepassing op geschillen onder Brits recht die dateren van voor de Brexit

Het Hof van Justitie oordeelt dat het Unierecht nog steeds van toepassing is op geschillen waarop het recht van het Verenigd Koninkrijk van toepassing is als deze geschillen dateren van vóór het einde van de overgangsperiode uit het terugtrekkingsakkoord tussen het VK en de EU. De Franse rechter moet het Britse recht dan ook conform het Unierecht uitleggen.

HJ heeft in 2013 bij de Franse arbeidsrechter een vordering ingesteld tot betaling van diverse bedragen ter uitvoering van de arbeidsovereenkomst en als schadevergoeding, omdat zij slachtoffer zou zijn van discriminatie. Het recht van het Verenigd Koninkrijk (“het VK”) is van toepassing op de arbeidsovereenkomst. In cassatie betoogde HJ dat de rechter in hoger beroep de Britse wet inzake gelijke behandeling niet heeft uitgelegd in overeenstemming met artikel 19 van de richtlijn betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep (richtlijn 2006/54) (“de richtlijn”). Ten tijde van de uitspraak in hoger beroep was de overgangsperiode van het terugtrekkingsakkoord tussen het VK en de EU verstreken. Sindsdien geldt het Unierecht niet meer in het VK. Het Cour de cassation (“de verwijzende rechter”) stelde daarom drie prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie (“Hof”).

Ten eerste vraagt de verwijzende rechter of artikel 19 van de richtlijn sinds het verlopen van de overgangsperiode niet meer van toepassing is op een geding dat vóór het verlopen van de overgangsperiode is ingesteld. Ten tweede vraagt de verwijzende rechter of artikel 288 VWEU de nationale rechter verplicht tot Unierechtconforme uitlegging van de Britse wet, of dat het beginsel van wederzijds vertrouwen zich hiertegen verzet.

In antwoord op de eerste vraag oordeelt het Hof dat artikel 19 van de richtlijn nog steeds van toepassing is op het onderhavige geschil.

Het terugtrekkingsakkoord bevat geen bepalingen die de toepassing van het Unierecht regelen op gedingen die na het einde van de overgangsperiode aanhangig zijn gemaakt en betrekking hebben op contractuele betrekkingen van vóór de overgangsperiode. Volgens het Hof blijkt uit de algemene opzet van het akkoord dat het VK en de EU, overeenkomstig het rechtszekerheidsbeginsel, de stabiliteit van al bestaande rechtssituaties wilden waarborgen. Gelet hierop oordeelt het Hof dat de partijen met dit akkoord uitvoering hebben willen geven aan onder andere het rechtszekerheidsbeginsel als onderdeel van het Unierecht.

Volgens eerdere rechtspraak van het Hof verzet dit beginsel zich tegen het met terugwerkende kracht toepassen van materiële rechtsregels. Daarnaast volgt uit dit beginsel dat, behoudens uitdrukkelijke bepalingen van het tegendeel, elke feitelijke situatie moet worden beoordeeld volgens de op het desbetreffende tijdstip geldende bepalingen. Het terugtrekkingsakkoord kan daarom niet met terugwerkende kracht een einde maken aan de toepassing van het materiële Unierecht op rechtsbetrekkingen van vóór de overgangsperiode waarop het Unierecht van toepassing was, zoals in dit geval de arbeidsovereenkomst.

In antwoord op de tweede vraag oordeelt het Hof dat de nationale rechter de Britse wet conform het Unierecht moet uitleggen. Het beginsel van wederzijds vertrouwen verzet zich hier niet tegen. Het beginsel van Unierechtconforme uitlegging verplicht nationale rechters al het mogelijke te doen om de volle werking van de betrokken richtlijn te verzekeren en tot een oplossing te komen die in overeenstemming is met de doelstelling van die richtlijn. Volgens het Hof doet een rechter die het recht van een andere lidstaat Unierechtconform uitlegt, niets anders dan wat hij op grond van het beginsel van wederzijds vertrouwen ook van rechters in die lidstaat mag verwachten. Dat het VK geen lidstaat meer is, maakt dat niet anders. Immers blijkt uit het antwoord op de eerste vraag dat het Unierecht nog steeds van toepassing is in het hoofdgeding.

Tot slot merkt het Hof op dat de verwijzende rechter meent dat hij niet kan toetsen of het buitenlands recht correct is uitgelegd en toegepast. De cassatierechter stelt buitenlands recht gelijk aan een feitelijk gegeven, zodat zijn toezicht op de verenigbaarheid met het Unierecht van de toepassing van dat buitenlandse recht beperkt is. Het Hof oordeelt dat dit in strijd is met het Unierecht, omdat de verplichting om het door de richtlijn voorgeschreven resultaat te bereiken niet wordt nageleefd. De verwijzende rechter moet toetsen of de lagere rechter zijn verplichting heeft nageleefd om de Britse wet richtlijnconform te interpreteren.

Bron: Arrest van het Hof van 19 mei 2026 in zaak C-350/24

Hof van Justitie: Frankrijk mag leeftijdsverificatie eisen voor gebruikers van pornografische websites en de doorgifte van informatie over bepaalde verkeerscontroles verbieden

Het Hof van Justitie oordeelt dat Franse wetgeving die aanbieders van pornografische websites verplicht om leeftijdsverificatie in te voeren niet in strijd is met de richtlijn inzake elektronische handel. Ook het verbod op het doorgeven van Franse verkeerscontroles aan gebruikers van rijhulpsystemen is in overeenstemming met de richtlijn. Volgens het Hof zijn de beperkingen van het vrije verkeer van diensten gerechtvaardigd.

Frankrijk verplicht aanbieders van pornografische websites om technische voorzieningen voor leeftijdsverificatie in te voeren. Daarmee moet voorkomen worden dat minderjarigen toegang krijgen tot deze websites. Daarnaast kan Frankrijk aanbieders van rijhulpsystemen met geolokalisatie verbieden om de door hun gebruikers verstrekte informatie over wegcontroles op Frans grondgebied door te geven. Daarmee wil Frankrijk voorkomen dat personen die gezocht worden voor misdaden of overtredingen de Franse wegcontroles kunnen ontwijken.

De WebGroup Czech Republic en NKL Associates stelden beroep in tot nietigverklaring van de verplichtingen voor aanbieders van pornografische websites bij het Conseil d’État (“de verwijzende rechter”). Coyote System verzoekt de verwijzende rechter het verbod op het melden van de verkeerscontroles nietig te verklaren. De verwijzende rechter vraagt het Hof van Justitie (“Hof”) in essentie of de Franse maatregelen in strijd zijn met het land-van-oorsprong beginsel, neergelegd in de richtlijn inzake elektronische handel (richtlijn 2000/31/EG) (“richtlijn”). Op grond van dit beginsel is het recht van het land van oorsprong van toepassing op alle diensten die vallen onder het gecoördineerde gebied in artikel 2(h) van de richtlijn.

Volgens het Hof vallen de betwiste maatregelen onder het gecoördineerde gebied. Dit gebied omvat in beginsel elk vereiste dat gesteld wordt aan de toegang tot of het verrichten van diensten van de informatiemaatschappij. De betwiste maatregelen vormen daarmee een beperking van het vrije verrichten van diensten van de informatiemaatschappij. Het Hof oordeelt echter dat de beperkingen gerechtvaardigd zijn. De verplichtingen voor pornografische websites sluiten aan bij de bescherming van minderjarigen, een onderdeel van de bescherming van de openbare orde. Het verbod voor aanbieders van rijhulpsystemen sluit aan bij het beschermen van de openbare veiligheid. Beide doelstellingen worden door de richtlijn erkend. Daarnaast zijn de beperkingen evenredig aan de doelstellingen en lijken ze gericht op specifieke diensten die deze doelstellingen daadwerkelijk aantasten en worden de beperkingen gehandhaafd door individuele aanmanings- of verbodsbesluiten die op basis van de nationale wetgeving worden vastgesteld.

Het Hof merkt op dat een lidstaat die dergelijke beperkingen wil invoeren eerst de lidstaat van vestiging moet verzoeken om zelf maatregelen te nemen, en de Commissie en de lidstaat van vestiging moet informeren over de voorgenomen beperkingen. Het niet naleven van deze procedurele vereisten kan ertoe leiden dat de beperkende maatregel niet afdwingbaar is. Enkel in spoedeisende gevallen kan een lidstaat van deze procedurele vereisten afwijken.

Tot slot oordeelt het Hof dat een aanbieder van een dienst van de informatiemaatschappij niet kan worden vrijgesteld van zijn aansprakelijkheid voor de opgeslagen en doorgegeven informatie afkomstig van zijn gebruikers waarover de aanbieder controle heeft. Van controle is ook sprake wanneer een algoritme bepaalt onder welke voorwaarden, op welke wijze en in welke volgorde deze informatie al dan niet wordt doorgegeven.

Bron: arrest van het Hof van 16 juni 2026 in gevoegde zaken C-118/24 en C-190/24, met perscommuniqué


Abonneren nieuwsbrief Europees recht