
In deze nieuwsbrief vindt u een overzicht van belangrijk Europeesrechtelijk nieuws. Wilt u op de hoogte blijven van de laatste ontwikkelingen op het gebied van het Europees recht? Schrijf u dan in voor onze tweewekelijkse nieuwsbrief.

In deze nieuwsbrief:
- Hof van Justitie: Oostenrijkse btw-vrijstelling is staatssteun
-
Hof van Justitie: Duitse steunregeling voor warmtekrachtcentrales is geen staatssteun
-
Hof van Justitie: boete van ruim 4 miljard euro wegens misbruik van machtspositie door Google blijft in stand
-
Hof van Justitie: regels over spelersmakelaars kunnen onder de uitzondering op het kartelverbod vallen
Gerechtshof Den Haag stelt prejudiciële vraag aan Hof van Justitie over vrij verkeer van goederen
Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties publiceert handreiking over staatssteun voor sociale en betaalbare huisvesting
Hof van Justitie: Oostenrijkse btw-vrijstelling is staatssteun
Het Hof van Justitie oordeelt dat de Oostenrijkse btw-vrijstelling voor diensten die worden verricht tussen ondernemingen die zich hoofdzakelijk toeleggen op diensten van bancaire aard of op het gebied van verzekeringen of pensioenfondsen, staatssteun vormt.
De Oostenrijkse bank X maakte gebruik van een btw-vrijstelling voor diverse diensten die onderling worden verricht tussen ondernemingen die zich hoofdzakelijk toeleggen op diensten van bancaire aard of op het gebied van verzekeringen of pensioenfondsen. De Oostenrijkse belastingdienst stelde vast dat bepaalde diensten van een medecontractant van X niet onder de btw-vrijstelling vielen. X stelde beroep in tegen dit besluit. De verwijzende rechter vraagt het Hof van Justitie (“Hof”) of een btw-vrijstelling voor diensten die worden verricht tussen bovengenoemde ondernemingen staatssteun vormt in de zin van artikel 107 lid 1 VWEU. Het Hof beantwoordt die vraag bevestigend.
Nadat het Hof allereerst vaststelt dat de btw-vrijstelling niet voortvloeit uit de btw-richtlijn (richtlijn 2006/112/EG), gaat het Hof in op de vraag of de btw-vrijstelling kwalificeert als staatssteun in de zin van artikel 107 lid 1 VWEU. Daarbij is de kernvraag of sprake is van een selectief voordeel. Voor die vraag is van belang of de vrijstelling afwijkt van het referentiekader, het algemene btw-stelsel. Dat lijkt volgens het Hof het geval. Diverse diensten zijn namelijk vrijgesteld van btw wanneer zij worden verricht door ondernemingen die hoofdzakelijk diensten verrichten van bancaire aard of op het gebied van verzekeringen of pensioenfondsen, terwijl die vrijstelling niet geldt wanneer dezelfde diensten worden verricht door ondernemingen die niet tot die categorie behoren.
Volgens het Hof lijkt dit onderscheid niet te kunnen worden gerechtvaardigd op grond van (in de btw-richtlijn erkende) doelstellingen zoals het behoud van fiscale neutraliteit, het voorkomen van cumulatie van belastingen of administratieve vereenvoudiging.
Bron: arrest van het Hof van Justitie van 9 juli 2026 in zaak C-360/25
Hof van Justitie: Duitse steunregeling voor warmtekrachtcentrales is geen staatssteun
Het Hof van Justitie oordeelt dat een Duitse steunregeling voor warmtekrachtcentrales geen staatssteun vormt, omdat deze niet wordt bekostigd met staatsmiddelen. Daarbij is onder meer relevant dat netbeheerders niet verplicht zijn om de door hen betaalde steun door te berekenen.
Om elektriciteitsproductie door warmtekrachtcentrales (“CHP”) te stimuleren, wijzigde Duitsland in 2021 een steunregeling voor warmtekrachtcentrales, de zogeheten KWKG-wetgeving. De KWKG verplicht distributie- en transmissienetbeheerders tot betaling van in de wet bepaalde bedragen voor de elektriciteit die de warmtekrachtcentrales van de CHP-begunstigden opwekken (“de KWKG-steun”). Via de KWKG-heffing kunnen transmissienetbeheerders een deel van de kosten van de KWKG-steun verhalen op distributienetbeheerders. Daarnaast hebben netbeheerders het recht om de kosten van de KWKG-steun door te berekenen aan hun elektriciteitsafnemers. Zij zijn daartoe echter niet verplicht.
Bij besluit van 3 juni 2021 heeft de Europese Commissie (“Commissie”) de KWKG aangemerkt als staatssteun in de zin van artikel 107 lid 1 VWEU. De Commissie heeft met name vastgesteld dat de maatregelen met staatsmiddelen werden gefinancierd, namelijk met de inkomsten uit een wettelijk door Duitsland opgelegde verplichte bijdrage, die overeenkomstig de wetgeving werd beheerd en toegewezen. Het Gerecht oordeelde echter dat geen sprake was van financiering met staatsmiddelen en vernietigde het besluit van de Commissie. De Commissie heeft tegen die uitspraak beroep ingesteld en verzoekt met haar hogere voorziening om vernietiging van het arrest van het Gerecht.
Centraal in deze zaak staat de vraag of de KWKG-steun bekostigd wordt met staatsmiddelen. Het is vaste rechtspraak dat een maatregel kan worden aangemerkt als een maatregel van de staat of een met staatsmiddelen bekostigde maatregel als (i) de maatregel direct of indirect met staatsmiddelen is bekostigd en (ii) die middelen een lidstaat kunnen worden toegerekend.
Het Hof van Justitie (“Hof”) heeft in zijn rechtspraak twee alternatieve criteria ontwikkeld om vast te stellen of middelen waarmee krachtens nationale wetgeving een tariefvoordeel wordt toegekend staatsmiddelen vormen in de zin van artikel 107 lid 1 VWEU. Hiervan is allereerst sprake wanneer de middelen worden bekostigd door belastingen of door krachtens nationale wetgeving verplichte heffingen ten laste van eindafnemers, en deze middelen op grond van diezelfde wetgeving worden beheerd of verdeeld. Daarnaast is sprake van bekostiging met staatsmiddelen wanneer de staat controle uitoefent over het beheer van de regeling en met name over de middelen of de beheerders van de middelen.
Beide criteria zijn in deze zaak niet van toepassing en het Hof wijst de hogere voorziening van de Commissie dan ook af. Volgens het Hof volgt uit eerdere rechtspraak over vergelijkbare maatregelen dat zonder een wettelijk verplichte doorberekening aan de eindafnemers geen sprake is van financiering afkomstig uit een belasting of een verplichte heffing. Er is dan ook geen sprake van bekostiging met staatsmiddelen. Op grond van de KWKG-wetgeving hebben de netbeheerders enkel het recht om de kosten van die steun door te berekenen. Het Hof oordeelt daarom dat het Gerecht geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat geen sprake is van bekostiging met staatsmiddelen. Om die reden is evenmin sprake van staatssteun. Ook gaat het Hof niet mee in het (op voorhand weinig kansrijke) betoog van de Commissie dat het Gerecht de rechtspraak die voortvloeit uit het arrest PreussenElektra (zaak C-379/98) onjuist heeft toegepast. Uit die uitspraak volgt simpelweg dat als ondernemingen hun eigen middelen gebruiken om een (wettelijke) betalingsverplichting na te komen en niet door de staat zijn belast met het beheer van staatsmiddelen, geen sprake is van staatsmiddelen. De enkele bevoegdheid voor de betrokken ondernemingen (in dit geval: de netbeheerders) om de kosten verbonden aan de op hen rustende verplichting door te berekenen aan hun eigen klanten maakt dit niet anders.
Over de uitspraak van het Gerecht en de merites van de argumenten van de Commissie schreef Sebastiaan Cnossen eerder een artikel in het Nederlands Tijdschrift voor Energierecht.
Bron: arrest van het Hof van 9 juli 2026 in zaak C-242/24 P
Hof van Justitie: boete van ruim 4 miljard euro wegens misbruik van machtspositie door Google blijft in stand
Het Hof van Justitie verwerpt de hogere voorziening die Google heeft ingesteld tegen het arrest van het Gerecht. Daarmee bevestigt het Hof van Justitie dat Google haar dominante positie heeft misbruikt in de context van het Android-besturingssysteem.
In 2018 legde de Europese Commissie een boete van meer dan 4 miljard euro op aan Google en moederbedrijf Alphabet wegens misbruik van Google’s machtspositie. Dit misbruik bestond volgens de Commissie uit drie gedragingen die gezamenlijk één enkele voortdurende inbreuk vormden. Telefoonfabrikanten en exploitanten van mobiele netwerken (“OEM’s” en “MNO’s”) die gebruikerslicenties voor de Google Play Store wilden afnemen, werden verplicht om Google’s Chrome-browser en Search-app te pre-installeren op de telefoons (de “MADA’s”). OEM’s die vooraf de apps van Google wilden installeren, mochten geen apparaten verkopen met versies van Android die niet vooraf waren goedgekeurd door Google (de “AFA’s”). Daarnaast ontvingen OEM’s en MNO’s een percentage van Google’s advertentie-inkomsten als zij ermee instemden om geen algemene zoekdiensten van concurrenten te installeren op apparaten die deel uitmaakten van een overeengekomen portfolio (de “RSA’s”). In 2022 wees het Gerecht het beroep van Google en Alphabet grotendeels af en verklaarde enkel het deel van het besluit dat zag op de RSA’s nietig.
In het arrest van 2 juli jl. heeft het Hof van Justitie (“Hof”) de hiertegen door Google en Alphabet ingestelde hogere voorziening in zijn geheel afgewezen.
Het Hof oordeelt daarbij dat de Commissie geen contrafeitelijk scenario hoefde te onderzoeken wat betreft de MADA’s en AFA’s. De Commissie moet enkel een causaal verband aantonen tussen het bestreden misbruik en mededingingsbeperkende gevolgen. Wat betreft de MADA’s volstaat dat rekening is gehouden met alle relevante omstandigheden. De mogelijke mededingingsbeperkende effecten van de AFA’s (het versterken van Google’s dominante positie door het beperken van markttoegang voor concurrerende Android-versies en de schade voor eindgebruikers) zijn naar het oordeel van het Hof ook voldoende bewezen.
Daarnaast oordeelt het Hof dat het niet altijd noodzakelijk is een ‘even efficiënte concurrent-test’ (“AEC-test”) uit te voeren om de uitsluitingseffecten van de MADA’s vast te stellen. De relevante markten zijn onderdeel van de digitale economie. Gezien de karakteristieken van dergelijke markten is een AEC-test niet altijd mogelijk of nuttig om uitsluitingseffecten te beoordelen. Dit is met name het geval wanneer de structuur van de markt en de betrokken gedraging het onmogelijk maken dat een even efficiënte concurrent tot de markt toetreedt, zich daarop handhaaft of zich zelfs maar aandient.
Tot slot doet de gedeeltelijke nietigverklaring van de overeenkomsten voor inkomstendeling volgens het Hof niet af aan de vaststelling dat Google’s gedragingen neerkomen op één enkele voortdurende inbreuk.
Bron: arrest van het Hof van Justitie van 2 juli 2026 in zaak C-738/22 P met perscommuniqué
Hof van Justitie: regels over spelersmakelaars kunnen onder de uitzondering op het kartelverbod vallen
Het Hof van Justitie oordeelt dat de uitzondering op het kartelverbod onder bepaalde voorwaarden van toepassing kan zijn op regels van sportbonden die gericht zijn tot hun leden, maar tegelijkertijd het gebruik van diensten van niet-leden reguleren.
De Duitse nationale voetbalbond stelde in 2015 het reglement spelersbemiddeling vast. Dit reglement richt zich tot voetbalclubs en -spelers (leden van de bond) en bevat verschillende regels over het gebruik van diensten van spelersmakelaars bij het sluiten van arbeids- en transferovereenkomsten, onder andere over de financiële beloning van de spelersmakelaars. Rogon, een adviesbureau voor beroepsvoetbalspelers, vordert bij de Duitse rechter de beëindiging van het reglement en beroept zich daarbij op het kartelverbod van artikel 101 lid 1 VWEU.
In jurisprudentie over regels van sportbonden formuleerde het Hof al een uitzondering op het kartelverbod voor mededingingsbeperkingen die een legitieme doelstelling van algemeen belang nastreven. De verwijzende rechter vraagt het Hof of deze uitzondering ook geldt indien de regeling in kwestie zich weliswaar tot leden van de sportbond richt, maar ook het gebruik regelt van diensten van derde ondernemingen die geen lid zijn van de sportbond, in dit geval de diensten van spelersmakelaars. Ten tweede vraagt de verwijzende rechter of de uitzonderingsvoorwaarden beoordeeld moeten worden op het niveau van elke individuele bepaling van de betrokken regeling, of dat rekening moet worden gehouden met criteria die zien op de mate waarin deze bepalingen verband houden met de organisatie en de uitoefening van de sportactiviteit van de bond.
In lijn met vaste rechtspraak oordeelt het Hof dat het reglement binnen de werkingssfeer van het kartelverbod kan vallen. Onder de zogeheten Wouters-exceptie is dat mogelijk niet het geval indien (i) het reglement er niet toe strekt de mededinging te beperken; (ii) uit onderzoek naar de economische en juridische context van het reglement blijkt dat de beperking van de mededinging wordt gerechtvaardigd door het nastreven van een of meer legitieme doelstellingen van algemeen belang die als zodanig niet mededingingsverstorend zijn; (iii) de concrete middelen waarmee de doelstelling wordt nagestreefd daartoe geschikt zijn en in strikte zin noodzakelijk voor en evenredig aan dat doel zijn. Het Hof oordeelt voorts dat deze uitzondering ook kan gelden voor een regeling van een sportbond die zich weliswaar tot haar leden richt, maar tegelijkertijd het gebruik regelt van diensten van derde ondernemingen die niet tot die bond behoren (in dit geval: spelersmakelaars).
Verder oordeelt het Hof dat deze uitzondering niet noodzakelijkerwijs moet worden beoordeeld in het licht van elke bepaling van de betrokken regeling. Wanneer verschillende bepalingen eenzelfde doel nastreven of eenzelfde effect hebben, kunnen deze gezamenlijk worden beoordeeld, terwijl bepalingen met een verschillend doel of effect afzonderlijk moeten worden beoordeeld. De mate waarin een bepaling verband houdt met de sportactiviteit van de bond is daarbij niet doorslaggevend.
Bron: arrest van het Hof van Justitie van 9 juli 2026 in zaak C-428/23 met perscommuniqué
Gerechtshof Den Haag stelt prejudiciële vraag aan Hof van Justitie over vrij verkeer van goederen
Het gerechtshof Den Haag heeft een prejudiciële vraag gesteld aan het Hof van Justitie in een zaak over het verbod op het gebruik van buitenlandse handelaarskentekens in Nederland. Het gerechtshof vraagt het Hof van Justitie of de Staat in strijd handelt met het vrij verkeer van goederen door voertuigen voorzien van een handelaarskenteken uit een bepaalde lidstaat niet toe te laten, als de aangevoerde rechtvaardigingsgrond niet opgaat voor kentekens uit die lidstaat, maar wel voor kentekens uit andere lidstaten.
VEGA is een Oostenrijkse onderneming die in opdracht van klanten fabrieksnieuwe voertuigen naar vestigingen of afnemers in andere lidstaten rijdt. VEGA maakt gebruik van Oostenrijkse en Duitse handelaarskentekens, omdat de voertuigen nog niet staan ingeschreven in Nederland of een andere lidstaat. Volgens de Nederlandse wetgeving worden deze tijdelijke kentekens gebruikt voor voertuigen uit bedrijfsvoorraden die nog niet in het kentekenregister zijn ingeschreven. In Nederland geldt in beginsel een verbod op het rijden met buitenlandse handelaarskentekens (“het verbod”). Omdat de voertuigen van VEGA niet in het buitenland in het kentekenregister staan ingeschreven, is de uitzondering op de Nederlandse kentekenplicht voor buitenlandse (reguliere) kentekens niet van toepassing. De politie legt daarom boetes op aan de chauffeurs van VEGA.
VEGA vordert dat het verbod ten aanzien van haar buiten toepassing moet worden gelaten. VEGA voert aan dat het verbod in strijd is met het Unierecht, met name het vrij verkeer van goederen (artikelen 34 en 36 VWEU), het algemeen beginsel van vrije doorvoer van goederen en het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (“Handvest”).
Het gerechtshof neemt als uitgangspunt dat het verbod op buitenlandse handelaarskentekens een belemmering vormt van het vrij verkeer van goederen als bedoeld in artikel 34 VWEU. Centraal staat de vraag of het verbod kan worden gerechtvaardigd op grond van artikel 36 VWEU, waarbij de discussie tussen partijen met name ziet op het evenredigheidsbeginsel.
De Staat heeft voor de rechtvaardiging van het verbod vier gronden aangevoerd. Het gerechtshof oordeelt dat drie van de vier rechtvaardigingsgronden niet opgaan. Zo oordeelt het gerechtshof dat het verbod niet op samenhangende en stelselmatige wijze de opsporing van strafbare feiten dient, omdat het gebruik van Nederlandse, Belgische, Luxemburgse en Duitse handelaarskentekens op grond van wetgeving en bilaterale afspraken onder voorwaarden is toegestaan. Daarnaast is het verbod niet geschikt voor het handhaven van milieu- en andere wettelijke voorschriften, omdat de naleving van deze verplichtingen ook niet gehandhaafd zou worden voor reguliere buitenlandse kentekens. Tot slot heeft de Staat onvoldoende onderbouwd waarom het gebruik van handelaarskentekens door VEGA in de weg staat aan de effectieve handhaving van verkeersvoorschriften. VEGA heeft namelijk voorbeelden overgelegd van boetes die aan haar zijn opgelegd voor verkeersovertredingen met vrachtwagens voorzien van Oostenrijkse en Duitse handelaarskentekens. De Staat heeft op zijn beurt voorbeelden overgelegd van gevallen waarin de politie tevergeefs heeft geprobeerd de houder van een buitenlands handelaarskenteken te achterhalen, waardoor handhaving niet mogelijk was. Het gerechtshof concludeert daarom dat de problemen waar de Staat op wijst zich met name lijken voor te doen bij het gebruik van buitenlandse handelaarskentekens uit andere lidstaten dan Oostenrijk en Duitsland.
Dit roept de vraag op of het vrij verkeer van goederen differentiatie tussen lidstaten toestaat. Volgens de Staat is dat niet het geval. Het toestaan van het gebruik van Duitse en Oostenrijkse handelaarskentekens leidt ertoe dat de Staat het gebruik van handelaarskentekens uit alle lidstaten moet toestaan, zonder dat harmonisatie van wetgeving ten aanzien van het gebruik van handelaarskentekens heeft plaatsgevonden. Dit zou betekenen dat de Staat buitenlandse handelaarskentekens (waarvan op voorhand onduidelijk is op welke voorwaarden die worden toegestaan) moet toelaten onder ruimere voorwaarden en voor ruimere categorieën dan de Nederlandse wetgeving toestaat voor Nederlandse handelaarskentekens. Ook voor Nederlandse handelaarskentekens is dit type gebruik (het vervoer van voertuigen op hun eigen wielen in opdracht van een afnemer) namelijk niet toegestaan. De Staat stelt bovendien dat dit het fundament van Europese harmonisatieafspraken ondergraaft. Uitgangspunt van die harmonisatie is immers de inschrijving van voertuigen in het kentekenregister. Daarnaast leidt dit tot handhavings- en uitvoeringsproblemen, omdat de Staat de wetgeving van andere lidstaten niet kent en dus ook de naleving van de voorwaarden voor het gebruik van buitenlandse handelaarskentekens niet kan controleren.
Gelet hierop vraagt het gerechtshof zich af of de Staat de invoer van voertuigen met Duitse en Oostenrijkse handelaarskentekens kan tegenhouden op grond van argumenten die enkel betrekking hebben op de invoer van voertuigen uit andere lidstaten. Het gerechtshof ziet daarom aanleiding om de volgende prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie te stellen:
“Handelt een lidstaat in strijd met het vrij verkeer van goederen geregeld in de artikelen 34, 35 en 36 VWEU door voertuigen voorzien van een handelaarskenteken uit een bepaalde lidstaat niet op zijn wegen toe te laten, als hij het niet toelaten van die voertuigen niet kan rechtvaardigen op gronden die verband houden met het gebruik van handelaarskentekens uit die lidstaat, maar wel zou kunnen rechtvaardigen op gronden die verband houden met het gebruik van handelaarskentekens uit andere lidstaten?”
Het gerechtshof houdt de beoordeling van het hoger beroep aan totdat het Hof van Justitie de prejudiciële vraag heeft beantwoord. Dit geldt ook voor het beroep van VEGA op het Handvest, omdat de discussie tussen partijen ten aanzien van dit beroep eveneens ziet op de toepassing van het evenredigheidsbeginsel.
De Staat wordt in deze zaak bijgestaan door Sebastiaan Cnossen en Maartje de Wit.
Bron: uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 7 juli 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:2082
Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties publiceert handreiking over staatssteun voor sociale en betaalbare huisvesting
Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft op 6 juli jl. een handreiking gepubliceerd over het nieuwe DAEB-Vrijstellingsbesluit van de Europese Commissie (Besluit (EU) 2025/2630). Op grond van het Vrijstellingsbesluit kunnen Diensten van Algemeen Economisch Belang worden gesteund zonder dat overheden deze steun moeten melden bij de Europese Commissie. De handreiking gaat in op de mogelijkheden die het DAEB-Vrijstellingsbesluit biedt voor staatssteun aan sociale en betaalbare huisvesting.
Zie ook: de berichten van Kenniscentrum Europa Decentraal over de handreiking en over de DAEB-staatssteunregels