Ga naar hoofdinhoud
Home Kennis EU-alert 3 september 2026

EU-alert - 3 september 2026

11 september 2026
Marleen Botman

In deze nieuwsbrief vindt u een overzicht van belangrijk Europeesrechtelijk nieuws. Wilt u op de hoogte blijven van de laatste ontwikkelingen op het gebied van het Europees recht? Schrijf u dan in voor onze tweewekelijkse nieuwsbrief.

Abonneren nieuwsbrief Europees recht

Inhoud

• Hof van Justitie geeft in Nederlandse zaak uitleg over het begrip betalingsdienst

• Europese Commissie: compensatie aan Nederlandse kolencentrales is geen staatssteun

• Rechtbank Amsterdam: Ethyleenkartel veroorzaakte geen schade

• Europese Commissie publiceert nieuwe staatssteunrichtsnoeren voor sociale steun en investeringen

Europese Commissie: compensatie aan Nederlandse kolencentrales is geen staatssteun

De Europese Commissie concludeert dat verstrekte compensatie voor winstderving als gevolg van een wettelijk plafond voor CO2-emissies niet kwalificeert als staatssteun. Op grond van het nationale recht zouden de kolencentrales compensatie kunnen afdwingen bij de rechter, waardoor geen staatssteunrechtelijk voordeel wordt verstrekt.

In december 2019 trad de Wet verbod op kolen bij elektriciteitsproductie in werking. Deze wet verbiedt het gebruik van steenkool voor elektriciteitsproductie vanaf 1 januari 2030. Naar aanleiding van de Urgenda-uitspraak (ECLI:NL:HR:2019:2006) heeft de Nederlandse wetgever in 2021 de wet aangepast om een tijdelijk emissieplafond in te voeren voor alle kolencentrales. Deze wet was van toepassing vanaf 1 januari 2022.

De verstoringen op de energiemarkt als gevolg van de Russische inval in Oekraïne leidden ertoe dat de Nederlandse regering het emissieplafond na 20 juni 2022 opschortte. De betrokken exploitanten konden over de periode van 1 januari tot en met 20 juni 2022 compensatie aanvragen voor winstderving als gevolg van het emissieplafond. De regering kende aan RWE en Uniper, onder voorbehoud van goedkeuring door de Europese Commissie (“Commissie”), compensatie toe.

In het Commissiebesluit gaat de Commissie in op de vraag of de compensatie een voordeel vormt dat RWE en Uniper niet onder normale marktomstandigheden hadden kunnen verkrijgen. De Nederlandse Staat stelt dat hiervan geen sprake is.

Ten aanzien van deze vraag stelt de Commissie ten eerste vast dat de oorspronkelijke wet een proportionele beperking van het eigendomsrecht van de kolencentrales inhoudt. Dit komt onder meer door de lange transitieperiode die ervoor zorgt dat kolencentrales tot 2030 winstgevend (kunnen) blijven.

Daarentegen zou de aangepaste wet het eigendomsrecht van de exploitanten disproportioneel beperken als het emissieplafond was ingevoerd zonder compensatieregeling. Dit komt onder meer omdat het voor de kolencentrales niet mogelijk was om zo snel na de oorspronkelijke wet aanvullende, verdergaande maatregelen te voorzien. De Commissie concludeert op basis hiervan dat RWE en Uniper op grond van het nationale recht compensatie kunnen afdwingen bij de nationale rechter indien de aangepaste wet niet in een compensatieregeling voorziet. Daarmee volgt de Commissie het betoog van de Staat.

Wat betreft de hoogte van de compensatie stelt de Commissie vast dat de compensatie aan Uniper en RWE in overeenstemming is met het bedrag dat nationale rechters in een aansprakelijkheidsprocedure zouden toekennen.

Op basis hiervan stelt de Commissie vast dat er geen sprake is van een voordeel dat de marktdeelnemers niet onder normale marktomstandigheden kunnen verkrijgen. Daarom concludeert de Commissie, zoals de Staat betoogt, dat er geen sprake is van staatssteun.

Bronnen: besluiten van de Commissie van 16 april 2026 (gepubliceerd op 4 augustus 2026) in zaken SA.109564 en SA.121044. Zie voor de voorgeschiedenis het arrest van het Hof van Justitie van 13 juni 2024 in zaak C-40/23 P

Hof van Justitie geeft in Nederlandse zaak uitleg over het begrip betalingsdienst

In antwoord op prejudiciële vragen van het College van Beroep voor het bedrijfsleven verduidelijkt het Hof van Justitie de definitie van betalingsdienst onder de Richtlijn betalingsdiensten. Volgens het Hof is deze richtlijn niet van toepassing op een dienst waarbij een entiteit als tussenpersoon geldmiddelen ontvangt op de betaalrekening van een aan haar gelieerde stichting en die middelen vervolgens, met toestemming van de klant, vanaf die rekening doorbetaalt aan de aannemer.

Betaal Garant Nederland CV (”BGN”) bood partijen bij aannemingsovereenkomsten zekerheidsstellingen aan op basis van een overeenkomst tussen de klant, de aannemer en Betaal Garant. Deze zekerheidsstelling had tot doel het risico af te dekken dat een aannemer loopt indien de klant zijn betalingsverplichtingen niet nakomt. De klant betaalde een percentage van de aanneemsom als zekerheid, op de betaalrekening van een aan BGN gelieerde stichting. De zekerheid werd door BGN via die betaalrekening overgemaakt aan de aannemer nadat de bouw naar tevredenheid van de klant en de aannemer was afgerond. BGN was dus de tussenpersoon die uitvoering gaf aan het overmaken van geld van de klant naar de aannemer. Zowel de klant als de aannemer moesten aan BGN een vergoeding betalen voor de zekerheidsstelling.

De Nederlandsche Bank (“DNB”) legde Betaal Garant een last onder dwangsom op, mede omdat Betaal Garant niet de vergunning bezat om als betalingsdienstaanbieder te opereren. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven (“CBb”) stelde een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie (“Hof”) ter verduidelijking van de vraag of BGN een betalingsdienst verricht in de zin van artikel 4 lid 3 van richtlijn 2015/2366 betreffende betalingsdiensten in de interne markt (“de richtlijn”) (ECLI:NL:CBB:2025:33).

Het Hof wijst erop dat de overmakingen niet door BGN zelf worden verricht, maar door de banken van respectievelijk de klant en (stichting) BGN. Volgens die gegevens zijn deze banken “betalingsdienstaanbieders” in de zin van artikel 4, punt 11, van de richtlijn. De in de richtlijn gestelde vereisten inzake vergunningverlening aan betalingsinstellingen, prudentieel toezicht en wettelijke aansprakelijkheid zijn volgens het Hof niet gerechtvaardigd indien geldovermakingen uitsluitend worden verricht ter uitvoering van een andere hoofdactiviteit, zoals in casu het geval is, te weten een dienst tot het verschaffen van een vervangende zekerheid, een activiteit die op zich niet onder de bepalingen van deze richtlijn valt.

Het Hof concludeert dat uit de letterlijke, contextuele en teleologische uitlegging van de betrokken bepalingen geldt dat de richtlijn niet van toepassing is op aanbieders van zekerheidsstellingsdiensten die als nevenactiviteit betalingsdiensten gebruiken die worden aangeboden door andere aanbieders – in dit geval de banken – die dergelijke diensten als hoofdactiviteit in het kader van hun gewoon beroep of bedrijf aanbieden.

Het is nu aan het CBb om een einduitspraak te doen.

DNB werd in deze prejudiciële procedure vertegenwoordigd door Georges Dictus en Ameer Muhammad

Bron: arrest van het Hof van Justitie van 16 juli 2026 in zaak C-51/25

Rechtbank Amsterdam: Ethyleenkartel veroorzaakte geen schade

In twee kartelschadezaken naar aanleiding van het Ethyleenkartel wijst de rechtbank Amsterdam vorderingen tot schadevergoeding of verklaring voor recht af. De rechtbank oordeelt dat de economische rapporten die Repsol en Shell inbrachten niet aannemelijk maken dat de bedrijven schade hebben geleden.

De Europese Commissie beboette in 2020 de deelnemers aan het ethyleenkartel. De inbreukplegers, inkopers van ethyleen (een grondstof die wordt gebruikt in de petrochemische industrie), wisselden informatie uit over onderhandelingen die zij voerden met ethyleenverkopers over de Maandelijkse Contract Prijs (“MCP”), een onderdeel in de berekening van de ethyleenprijs. Repsol vorderde een verklaring voor recht en Shell vorderde schadevergoeding. Als gevolg van het kartel zouden zij hun ethyleen tegen een lagere prijs hebben verkocht aan de gedaagden. De Commissie heeft echter niet onderzocht of de informatie-uitwisseling daadwerkelijk effect heeft gehad op de ethyleenprijs. Die vraag staat in de civiele procedure centraal. De rechtbank Amsterdam concludeert dat de invloed op de ethyleenprijs, en daarmee de schade van Repsol en Shell, niet aannemelijk is gemaakt en wijst de vorderingen af.

Zowel Repsol als de gedaagden dienden deskundigenrapporten met economische analyses in. De economische analyse van Repsol berekende een daling van de MCP van 8,3%. De rapporten van de gedaagden vonden daarentegen geen significant prijsverschil. Omdat de rapporten elkaar tegenspreken en de schadetheorieën van Repsol niet overtuigend zijn, oordeelt de rechtbank dat de mogelijkheid van schade als gevolg van het kartel niet aannemelijk is.

Ook in het Shell-vonnis komen de verschillende deskundigenrapporten tot uiteenlopende resultaten. De rechtbank oordeelt dat het economisch rapport van Shell niet geschikt is om schade aannemelijk te maken. Het rapport vergeleek de MCP op de ethyleenmarkt in Noordwest-Europa met de ethyleenspotprijs in Azië. De rechtbank oordeelt dat (de omstandigheden op) deze markten onvoldoende vergelijkbaar zijn. Daarnaast acht de rechtbank de in het rapport gebruikte methode onbetrouwbaar en de schadetheorie van Shell niet aannemelijk.

Op basis van de kartelschaderichtlijn bestaat een vermoeden van schade door kartels. Hoewel inbreukplegers dit vermoeden kunnen weerleggen, wordt schadevergoeding in kartelschadeprocedures meestal toegewezen. Het oordeel van de rechtbank Amsterdam is daarmee uniek.

Een van de gedaagden wordt in deze procedures bijgestaan door Sebastiaan Cnossen, Ivo Barends, Samantha Razoki en Willem Heemskerk

Bronnen: uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 29 juni 2026 in zaken ECLI:NL:RBAMS:2026:7690 en ECLI:NL:RBAMS:2026:7691, met persbericht.

Europese Commissie publiceert nieuwe staatssteunrichtsnoeren voor sociale steun en investeringen

De Europese Commissie heeft nieuwe richtsnoeren gepubliceerd met daarin een overzicht van de manieren waarop lidstaten steun kunnen verlenen voor sociale doelstellingen zonder het staatssteunverbod te overtreden. De richtsnoeren bevatten onder andere informatie over vrijgestelde steun onder de Algemene groepsvrijstellingsverordening, steun voor diensten van algemeen economisch belang, steun voor het opleiden en trainen van werknemers en steun aan huishoudens voor verduurzamingsmaatregelen. De Commissie zal de richtsnoeren bijwerken als de staatssteunregels veranderen, bijvoorbeeld wanneer de Commissie de algemene groepsvrijstellingsverordening wijzigt (hetgeen gepland staat eind 2026).

Zie ook: staatssteunrichtsnoeren voor sociale steun en investeringen en het persbericht van de Europese Commissie

Abonneren nieuwsbrief Europees recht