
In deze nieuwsbrief vindt u een overzicht van belangrijk Europeesrechtelijk nieuws. Wilt u op de hoogte blijven van de laatste ontwikkelingen op het gebied van het Europees recht? Schrijf u dan in voor onze tweewekelijkse nieuwsbrief.

In deze nieuwsbrief:
- Hof van Justitie: Litouwse wettelijke verplichting voor particuliere internationale scholen om te controleren of hun personeel de Litouwse taal op een bepaald niveau beheerst mogelijk onverenigbaar met de vrijheid van vestiging
- Hof van Justitie: beginsel van voorrang van het Unierecht verzet zich niet tegen Bulgaars procesrecht
- Hof van Justitie: Italiaans voorrangsrecht in aanbestedingsprocedure in strijd met het beginsel van gelijke behandeling
- College van Beroep voor het bedrijfsleven: ontheffing Winkeltijdenwet wordt van rechtswege verleend bij niet tijdig beslissen
- Europese Commissie overweegt interim-maatregelen aan Meta wegens uitsluiting van andere AI-assistenten tot Whatsapp
- Europese Commissie start openbare raadpleging over nieuwe AGVV
- Europese Commissie vraagt input over herziening staatssteunregels voor garanties
Hof van Justitie: Litouwse wettelijke verplichting voor particuliere internationale scholen om te controleren of hun personeel de Litouwse taal op een bepaald niveau beheerst mogelijk onverenigbaar met de vrijheid van vestiging
Het Hof van Justitie concludeert dat de Litouwse wet, op grond waarvan particuliere onderwijsinstellingen na moeten gaan of hun leerkrachten en administratieve medewerkers de Litouwse taal op een bepaald niveau beheersen, mogelijk inbreuk maakt op de vrijheid van vestiging (artikel 49 VWEU). Hoewel deze nationale regeling geschikt lijkt om de legitieme doelstelling te bereiken, kan zij onverenigbaar zijn met de vrijheid van vestiging door de opgelegde bewijsvereisten en het ontbreken van enige uitzondering op de taaleis.
Een particuliere onderwijsinstelling, de VTM, is sinds 2004 actief in Vilnius, Litouwen. Onderdanen van andere lidstaten hebben deelnemingen in de Litouwse onderwijsinstelling. Op grond van de Litouwse wetgeving moeten leerkrachten en administratieve medewerkers van particuliere onderwijsinstellingen, die regelmatig in contact staan met het publiek en de administratieve autoriteiten, de Litouwse taal op een bepaald niveau beheersen. Zij moeten hiervoor een certificaat overleggen dat is afgegeven door het nationale onderwijsagentschap van Litouwen. In 2022 heeft de nationale taalinspectie van Litouwen een controle uitgevoerd bij de VTM om na te gaan of deze onderwijsinstelling voldeed aan deze vereisten. Hierbij werd vastgesteld dat 18 werknemers van de onderwijsinstelling, waaronder het hoofd van de school, niet waren geslaagd voor het taalexamen van de beheersing van de officiële taal.
De verwijzende rechter vraagt het Hof onder meer naar de verenigbaarheid van de Litouwse regeling met de vrijheid van vestiging zoals neergelegd in artikel 49 VWEU.
De Nederlandse regering diende in de procedure ook opmerkingen in, en stelde dat de situatie beoordeeld moest worden in het licht van vrijheid van werknemers (artikel 45 VWEU) en niet de vrijheid van vestiging. In antwoord hierop herinnert Het Hof er aan dat wanneer een nationale maatregel meerdere fundamentele vrijheden raakt, er moet worden uitgegaan van de vrijheid die het meest centraal staat. In casu richtte de bestreden maatregel zich niet tot de werknemers, maar tot de onderwijsinstelling die verantwoordelijk werd gehouden van de naleving van de taaleisen. Bovendien ging het om voorwaarden waaronder de instelling haar activiteiten kan uitoefenen en personeel kan werven. Hierdoor ziet de situatie, aldus het Hof, op de vrijheid op vestiging in de zin van artikel 49 VWEU.
Het Hof overweegt dat de wet inzake de officiële taal een beperking vormt van de vrijheid van vestiging. Deze nationale regeling maakt het namelijk voor onderdanen van andere EU-lidstaten minder aantrekkelijk om in Litouwen een onderwijsprogramma dat onderwijs aanbiedt in een andere taal dan het Litouws, op te richten en te exploiteren. Ook de werving van voldoende gekwalificeerde medewerkers wordt zo minder aantrekkelijk gemaakt.
De doelstelling van de regeling is om het gebruik van de officiële taal van Litouwen te beschermen en te bevorderen. Volgens het Hof is de regeling geschikt om die doelstelling te verwezenlijken, aangezien het gebruik van de taal wordt bevorderd bij degenen die aan de taaleis zijn onderworpen.
Het Hof is echter van oordeel dat de Litouwse regeling verder lijkt te gaan dan noodzakelijk om de nagestreefde legitieme doelstelling te bereiken. Voor het leveren van bewijs dat aan de taaleis is voldaan, wordt immers vereist dat een certificaat wordt overgelegd dat is afgegeven door een Litouwse instelling en dat de taaltest op het grondgebied van Litouwen is afgenomen.
Nadat het Hof heeft overwogen dat de regeling verder gaat dan noodzakelijk, onderzoekt het Hof of de maatregel onevenredig zwaar uitpakt in verhouding tot het nagestreefde doel. In dat kader vindt het Hof het relevant dat de taaleis van toepassing lijkt te zijn vanaf de indiensttreding van de betrokken medewerkers, ongeacht de duur van hun arbeidsovereenkomst en zonder dat hierop een uitzondering of versoepeling mogelijk is. Volgens het Hof zou hierdoor de nationale regeling ook onevenredig in stricto sensu kunnen zijn. Het is aan de verwijzende rechter om hierover uiteindelijk een oordeel te vellen.
Bron: arrest van het Hof van Justitie van 12 februari 2026 in zaak C-48/24
met perscommuniqué
Hof van Justitie: beginsel van voorrang van het Unierecht verzet zich niet tegen Bulgaars procesrecht
Het Hof van Justitie oordeelt dat een procedureregel die vereist dat een nationale bepaling bij een grondwettelijk hof aanhangig wordt gemaakt, voorafgaand aan een prejudicieel verzoek aan het Hof, verenigbaar is met artikel 267 VWEU, het voorrangsrecht en het Reglement voor de procesvoering van het Hof.
MA wordt bij de Bulgaarse rechter veroordeeld wegens het bezit van verdovende middelen (methamfetamine en fentanyl) met het oog op distributie ervan. De verwijzende rechter is van oordeel dat de nationale bepalingen inzake de vaststelling van de geldwaarde van verdovende middelen in strijd zijn met het zowel in de Bulgaarse grondwet als in het Unierecht erkende beginsel van evenredigheid van straffen. De prejudiciële vraag ziet echter op de procedurele verhouding tussen een prejudiciële verwijzing en toetsing van de nationale bepalingen door het Bulgaarse grondwettelijk hof.
Het Bulgaarse reglement voor de procesvoering van het grondwettelijk hof bepaalt dat wanneer een nationale rechter bij het grondwettelijk hof een verzoek indient tot toetsing van de grondwettigheid van een nationale regeling die binnen de werkingssfeer van het Unierecht valt, dit verzoek een beoordeling van het toepasselijke recht moet bevatten, met inbegrip van de gevolgen van de toepassing van het Unierecht. Dit kan ertoe leiden dat die rechter, wanneer hij twijfels heeft over de uitlegging van dat recht, eerst het Hof van Justitie om een prejudiciële beslissing verzoekt.
De verwijzende rechter vraagt zich af of deze procedureregel verenigbaar is met artikel 267 VWEU, het beginsel van voorrang van het Unierecht en artikel 94, onder b van het Reglement voor de procesvoering van het Hof. Het Hof overweegt dat artikel 267 VWEU en het Reglement voor de procesvoering zich niet verzetten tegen een nationale procedureregel die vereist dat een nationale rechter, alvorens zich tot het grondwettelijk hof te wenden, een met redenen omklede beoordeling maakt van het toepasselijke recht - inclusief de gevolgen van het Unierecht. De bepaling belemmert de mogelijkheid om prejudiciële vragen te stellen niet, maar kan er juist toe leiden dat de nationale rechter eerder een prejudiciële vraag stelt alvorens het grondwettelijk hof te benaderen. Daarbij benadrukt het Hof dat nationale rechters steeds vrij blijven om op elk moment prejudiciële vragen te stellen en dat zij, indien nodig, nationale bepalingen die strijdig zijn met het Unierecht buiten toepassing moeten laten, zonder voorafgaande grondwettigheidstoetsing. Een nationale rechter bij wie een geschil over het Unierecht aanhangig is en die vaststelt dat een nationale bepaling niet alleen in strijd is met het Unierecht maar ook ongrondwettig is, verliest niet de bevoegdheid of is – indien het een rechterlijke instantie van laatste aanleg betreft – niet ontslagen van de in artikel 267 VWEU bedoelde verplichting, zich tot het Hof te wenden met vragen betreffende de uitlegging of de geldigheid van het Unierecht op grond dat de vaststelling van de ongrondwettigheid van een regel van nationaal recht hem verplicht de zaak aan het grondwettelijk hof voor te leggen.
Bron: arrest van het Hof van Justitie van 12 februari 2026 in zaak C-56/25
Hof van Justitie: Italiaans voorrangsrecht in aanbestedingsprocedure in strijd met het beginsel van gelijke behandeling
Het Hof van Justitie oordeelt dat het Italiaanse voorrangsrecht in aanbestedingsprocedures in strijd is met het beginsel van gelijke behandeling en het recht op vrijheid van vestiging van artikel 49 VWEU. Het betrof een nationaal voorrangsrecht op grond waarvan een initiatiefnemer aan wie de concessieovereenkomst niet was gegund, ervan wordt verzekerd dat de overeenkomst alsnog aan hem zal worden gegund indien hij zijn voorstel binnen vijftien dagen aanpast naar het als beste aangemerkte voorstel.
In maart 2021 diende het consortium bestaande uit Digital Vox Srl en Vox Communication Srl (“het consortium”), als enige initiatiefnemer, een voorstel in bij de gemeente Milaan met betrekking tot een overeenkomst voor het ontwerp, de levering, de plaatsing, het beheer en het onderhoud van geautomatiseerde openbare toiletten (“de overeenkomst”). De gemeente Milaan publiceerde vervolgens een aankondiging op haar website waarin marktpartijen werden uitgenodigd verbeterde voorstellen in te dienen. Urban Vision heeft toen een economisch gunstiger voorstel ingediend, waarna de overeenkomst aanvankelijk aan haar werd gegund.
Het consortium had echter, als initiatiefnemer, een voorrangsrecht toegekend gekregen op grond van het Italiaans nationale recht (artikel 183, lid 15, Codice dei contratti pubblici). Op grond daarvan kon hij, indien hij niet de begunstigde was, zijn voorstel binnen vijftien dagen aanpassen aan het als beste aangemerkte voorstel, waardoor de overeenkomst aan hem zou worden gegund. Voorwaarde hiervoor is dat hij zijn contractuele verplichtingen onder dezelfde voorwaarden moet nakomen als de oorspronkelijk begunstigde, en de voorbereidingskosten van de oorspronkelijke winnaar moet vergoeden. Een en ander leidde ertoe dat de gemeente Milaan de overeenkomst uiteindelijk aan het consortium heeft gegund.
De verwijzende rechter twijfelt of het voorrangsrecht verenigbaar is met Richtlijn 2014/23 van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van concessieovereenkomsten (“Concessierichtlijn”), artikelen 49 en 56 VWEU.
Het Hof overweegt dat het voorrangsrecht in strijd is met het beginsel van gelijke behandeling zoals neergelegd in artikel 3, lid 1 van de Concessierichtlijn, omdat de initiatiefnemer zijn inschrijving kan aanpassen – waaronder de prijs - nadat alle offertes bekend zijn. Inschrijvers moeten zich in een gelijke positie bevinden zowel bij het opstellen als bij de beoordeling van hun inschrijving. Dit voorrangsrecht kan mededingingsverstorend werken, aangezien de prijs doorgaans het doorslaggevende gunningscriterium is bij een aanbesteding. Om die reden benadrukt het Hof dan ook dat een inschrijving na indiening in beginsel niet mag worden gewijzigd.
Hoewel artikel 30 van de Concessierichtlijn een zekere vrijheid aan de aanbestedende diensten overlaat om de concessiehouder te kiezen, is die vrijheid niet onbeperkt en moet de gunningsprocedure het beginsel van gelijke behandeling eerbiedigen. Een beroep op artikel 41 van de Concessierichtlijn, die de mogelijkheid tot wijziging van de volgorde van gunningscriteria regelt, slaagt evenmin. Hiervoor is vereist dat sprake is van een innovatieve oplossing met een uitzonderlijk hoog prestatieniveau die door een zorgvuldig handelende aanbestedende dienst niet had kunnen worden voorzien en moet er een nieuwe oproep tot inschrijving plaatsvinden. Dat was hier niet het geval.
Tot slot overweegt het Hof dat het voorrangsrecht ook een beperking vormt van de vrijheid van vestiging in de zin van artikel 49 VWEU, omdat het marktdeelnemers uit andere lidstaten ervan kan weerhouden deel te nemen aan een procedure voor projectfinanciering. De door Italië aangevoerde doelstellingen - stimulering van ondernemerschap en verwerving van nieuwe kennis uit de private sector - vallen niet onder één van de in artikel 52 VWEU erkende rechtvaardigingsgronden.
Bron: arrest van het Hof van Justitie van 5 februari 2026 in zaak C-810/24
College van Beroep voor het bedrijfsleven: ontheffing Winkeltijdenwet wordt van rechtswege verleend bij niet tijdig beslissen
Het College van Beroep voor het bedrijfsleven (“het CBb”) oordeelt dat een ontheffing van de Winkeltijdenwet van rechtswege wordt verleend indien niet tijdig op de aanvraag wordt beslist. Dit volgt uit artikel 4:20b Awb, dat op grond van de Dienstenrichtlijn van toepassing was.
Eiseres heeft op 15 december 2022 een ontheffing van de Winkeltijdenwet voor haar bakkerij aangevraagd, om haar winkel in de ochtenduren tussen 5:00 en 6:00 uur te mogen openstellen. Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (“het college”) heeft de aanvraag afgewezen en hieraan ten grondslag gelegd dat het adres van eiseres geen bestaand adres is. In hoger beroep voert eiseres aan dat het college niet tijdig heeft beslist op haar aanvraag tot ontheffing, en dat daarmee een ontheffing van rechtswege is verleend.
Het CBb wijst op zijn eerdere uitspraak (ECLI:NL:CBB:2021:59), waarin het CBb heeft geoordeeld dat bij detailhandel sprake is van een dienst in de zin van Richtlijn 2006/123 betreffende diensten op de interne markt (“Dienstenrichtlijn”). Sindsdien is het CBb van oordeel dat het stelsel van de Winkeltijdenwet en de lokale gemeentelijke verordening winkeltijden, op grond waarvan bakkers een ontheffing moeten aanvragen om voor 6:00 uur voor publiek geopend te mogen zijn, moet worden gezien als een vergunningsstelsel in de zin van de Dienstenrichtlijn. Daaruit volgt dat de artikelen 4:20a en 4:20b van de Algemene Wet Bestuursrecht (“Awb”) in dit geding van toepassing zijn. Op grond van artikel 4:20b Awb wordt een ontheffing van de Winkeltijdenwet van rechtswege verleend, indien niet tijdig op een aanvraag wordt beslist.
De beslistermijn op de aanvraag om ontheffing van 15 december 2022 eindigde op 12 januari 2023. Aangezien het college toen nog niet op de aanvraag had beslist, is het CBb van oordeel dat de aangevraagde ontheffing op grond van artikel 4:20b, lid 1 Awb van rechtswege, met een fictief besluit, is verleend. Dit fictieve besluit trad - op grond van artikel 4:20b, lid 3 Awb - in werking op de derde dag na afloop van de beslistermijn, te weten op 15 januari 2023. Dit betekent dat het college na 12 januari 2023 niet meer bevoegd was om te beslissen op de aanvragen om ontheffing. De besluiten die het college heeft genomen zijn onbevoegd genomen en kunnen dan ook geen stand houden.
Het CBb oordeelt voorts dat het college bevoegd was dwangsommen op te leggen aan eiseres wegens het openen van haar bakkerij voor publiek voor 6:00 uur zonder de vereiste ontheffing, voor zover de overtredingen zijn begaan vóór 12 januari 2023. In zoverre blijven de invorderingsbesluiten tegen de dwangsommen wel in stand.
Bron: uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 3 februari 2026 in zaak ECLI:NL:CBB:2026:43
Europese Commissie overweegt interim-maatregelen aan Meta wegens uitsluiting van andere AI-assistenten tot WhatsApp
Uit een voorlopig onderzoek van de Europese Commissie (“Commissie”) blijkt dat Meta wordt verdacht van misbruik van haar dominante marktpositie, omdat Meta andere AI-assistenten toegang tot WhatsApp weigert. Volgens de Commissie is WhatsApp een belangrijk toegangspunt voor AI-assistenten van andere bedrijven om consumenten te kunnen bereiken.
Op grond van artikel 8, lid 1 van Verordening 1/2003 kan de Commissie voorlopige maatregelen nemen indien sprake is van het risico van ernstige en onherstelbare schade aan de mededinging. Het gedrag van Meta dreigt de toetredingsdrempels te verhogen en uitbreidingsmogelijkheden te beperken waardoor kleinere concurrenten op de markt voor AI-assistenten ernstig kunnen worden benadeeld. Meta is in de gelegenheid gesteld om te reageren op de voorlopige bevindingen van de Commissie, terwijl de Commissie haar onderzoek voortzet.
Bron: persbericht van de Europese Commissie van 9 februari 2026 (link)
Europese Commissie start openbare raadpleging over nieuwe AGVV
De Europese Commissie heeft een openbare raadpleging geopend over een ontwerp voor een nieuwe, vereenvoudigde algemene groepsvrijstellingsverordening (AGVV) voor staatssteun. Met de herziening wil de Commissie de regels beter afstemmen op huidige sociale, economische en technologische ontwikkelingen en de administratieve lasten voor lidstaten verminderen.
De ontwerpverordening bevat onder meer maatregelen om staatssteun toegankelijker te maken voor kmo’s en sociale ondernemingen, meer flexibiliteit te bieden voor steun aan hernieuwbare energie en innovatie, en hogere steunintensiteiten toe te staan voor energie-efficiëntie in sociale en betaalbare huisvesting.
De vaststelling van de herziene AGVV is gepland voor eind 2026, voordat de huidige AGVV op 31 december 2026 vervalt. Belanghebbenden kunnen tot 23 april 2026 opmerkingen indienen over het voorstel.
Bron: persbericht van de Europese Commissie van 25 februari 2026 (link)
Europese Commissie vraagt input over herziening staatssteunregels voor garanties
De Europese Commissie heeft een oproep om input gestart over de herziening van de Mededeling inzake staatssteun in de vorm van garanties. Met de herziening wil de Commissie onder meer dat garantiepremies beter aansluiten bij marktvoorwaarden, de regels beter afstemmen op andere staatssteunkaders en de administratieve lasten voor lidstaten verminderen. Verder wordt onderzocht hoe mogelijke indirecte staatssteun aan kredietverstrekkers kan worden voorkomen en hoe de transparantie en voorspelbaarheid van staatsgaranties kunnen worden verbeterd.
Belanghebbenden kunnen tot 31 maart 2026 hun opmerkingen indienen. De Commissie verwacht de herziene regels tegen medio 2027 vast te stellen.
Bron: consultatie van de Europese Commissie van 3 maart 2026 (link)