
In deze nieuwsbrief vindt u een overzicht van belangrijk Europeesrechtelijk nieuws. Wilt u op de hoogte blijven van de laatste ontwikkelingen op het gebied van het Europees recht? Schrijf u dan in voor onze tweewekelijkse nieuwsbrief.

In deze nieuwsbrief:
- Hof van Justitie EU: niet-wervingsovereenkomst tussen profvoetbalclubs moet in beginsel worden aangemerkt als een mededingingsbeperking naar strekking
Afdeling bestuursrechtspraak: standplaatsvergunning Groningen is geen schaarse vergunning
Europese Commissie keurt tijdelijk staatssteunkader goed ter ondersteuning van sectoren die zijn getroffen door crisis in het Midden-Oosten
Europese Commissie daagt Nederland voor het Hof van Justitie wegens het niet omzetten van de richtlijn betreffende de weerbaarheid van kritieke entiteiten en stuurt met redenen omkleed advies wegens het niet volledig omzetten van de omnibusrichtlijn inzake het Europees centraal toegangspunt
Hof van Justitie: niet-wervingsovereenkomst tussen profvoetbalclubs moet in beginsel worden aangemerkt als een mededingingsbeperking naar strekking
Het Hof van Justitie oordeelt dat een niet-wervingsovereenkomst tussen profvoetbalclubs in beginsel moet worden aangemerkt als een mededingingsbeperking naar strekking in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU. Dat is anders als uit het concrete onderzoek van de inhoud van deze overeenkomst, de objectieve doelstellingen ervan ten aanzien van de mededinging en de specifieke economische en juridische context waarin deze tot stand is gekomen, de precieze redenen blijken waarom de bevoegde autoriteit of rechterlijke instantie van oordeel is dat de overeenkomst niet als zodanig kan worden aangemerkt. Indien de overeenkomst enkel naar gevolg mededingingsbeperkend is, kan het verbod buiten toepassing blijven mits de overeenkomst wordt gerechtvaardigd door een legitiem doel van algemeen belang en passend, noodzakelijk en evenredig is.
Na het uitbreken van de COVID-19-pandemie schortte de Portugese nationale profvoetbalbond (“LPFP”) in maart 2020 de voetbalcompetities in de eerste en tweede divisies van het sportseizoen 2019/2020 op. Op 7 april 2020 kondigden de LPFP en de clubs uit de eerste divisie aan dat zij geen spelers van elkaar zouden aanwerven die hun arbeidsovereenkomsten eenzijdig beëindigd hadden vanwege moeilijkheden veroorzaakt door de COVID-19-pandemie of enig buitengewoon besluit dat daaruit voortvloeide (“de afspraak”). Een dag later sloot een deel van de clubs uit de tweede divisie zich aan bij de afspraak. In april 2022 besloot de Portugese mededingingsautoriteit de afspraak aan te merken als een overeenkomst met een mededingingsbeperkende strekking in de zin van artikel 101, lid 1 VWEU. De LPFP en betrokken clubs stelden beroep in tegen dit besluit. Gezien de unieke context van de COVID-19-pandemie twijfelde de verwijzende rechter of de afspraak schadelijk genoeg is om als mededingingsbeperkend naar strekking te worden aangemerkt en stelt daarom drie prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie (“Hof”). Deze vragen zien op de toepasselijkheid van het mededingingsrecht, de kwalificatie van de mededingingsrechtelijke beperking naar strekking en de verenigbaarheid met artikel 101, lid 1 VWEU.
Het Hof concludeert allereerst dat de afspraak binnen de werkingssfeer van artikel 101 VWEU kan vallen. De afspraak regelt de samenstelling van ploegen. Dat is een essentiële parameter van de voetbalcompetities, die op hun beurt aanleiding geven tot een economische activiteit. De afspraak moet daarom geacht worden een directe uitwerking te hebben op die economische activiteit en op de concurrentie tussen voetbalclubs die deze activiteit uitoefenen.
Wat betreft de kwalificatie van de overeenkomst herhaalt het Hof dat mededingingsbeperkingen naar strekking vanwege hun aard reeds worden geacht schadelijk te zijn voor de goede werking van de normale mededinging. Daarvoor zijn relevant de inhoud van de overeenkomst, de (objectieve) doelstellingen ervan ten aanzien van de mededinging, en de economische en juridische context. Wanneer sprake is van een voor de mededinging bijzonder schadelijke vorm van coördinatie kan het onderzoek van deze context beperkt blijven tot wat strikt noodzakelijk is voor het vaststellen van een mededingingsbeperkende strekking. Grondiger onderzoek van de juridische en economische context is nodig wanneer sprake is van andere soorten gedragingen die niet noodzakelijkerwijs even schadelijk zijn voor de mededinging, maar desondanks mogelijk een mededingingsbeperkende strekking hebben.
Het Hof oordeelt dat de inhoud van de afspraak neerkomt op een niet-wervingsovereenkomst die een kennelijke beperking vormt van een essentiële mededingingsparameter, namelijk het rekruteren van spelers die bij andere clubs in dienst zijn. In algemene zin hebben dergelijke overeenkomsten een mededingingsbeperkende strekking.
Daarnaast merkt het Hof op, gelet op de economische en juridische context waarin de afspraak tot stand is gekomen, dat de verwijzende rechter goede gronden heeft om te oordelen dat de overeenkomst óók een objectief mededingingsbevorderend doel nastreeft. Volgens het Hof berusten voetbalcompetities onder meer op het beginsel van sportieve verdienste, dat veronderstelt dat resultaten in verschillende fasen van de competitie vergelijkbaar zijn. Deze vorm van mededinging berust op de integriteit van de competitie en de stabiliteit van spelersbestanden. Zonder passende maatregelen konden spelers vrijelijk bij andere clubs in dienst treden wanneer hun arbeidsovereenkomsten eenzijdig waren beëindigd wegens de COVID-19-pandemie of verstreken op de aanvankelijke einddatum van het sportseizoen. Dat zou de samenstelling van de ploegen aanzienlijk wijzigen en de integriteit van de competitie, en daarmee de mededinging, aantasten.
In dit geval oordeelt het Hof dat de afspraak neerkomt op een overeenkomst met een mededingingsbeperkende strekking, tenzij uit het concrete onderzoek van de inhoud, de objectieve doelstellingen en de economische en juridische context precieze redenen blijken die zich tegen die conclusie verzetten. Het is uiteindelijk aan de verwijzende rechter om deze afweging te maken.
Tot slot oordeelt het Hof dat indien de verwijzende rechter oordeelt dat de afspraak een mededingingsbeperkende strekking heeft, de afspraak enkel op grond van artikel 101, lid 3 kan worden vrijgesteld van het kartelverbod. Indien de afspraak daarentegen een mededingingsbeperkend effect heeft, kan deze gerechtvaardigd worden door het nastreven van een legitiem doel van algemeen belang, mits de afspraak passend is in licht van dit doel, er geen andere maatregelen bestaan die even doeltreffend zijn en de mededinging minder beperken, en de gevolgen van de afspraak niet onevenredig zijn aan dat doel.
Wat het bestaan van een legitiem doel van algemeen belang betreft, heeft het Hof er reeds herhaaldelijk op gewezen dat de doelstelling om het regelmatige verloop van sportcompetities te waarborgen een legitiem doel van algemeen belang is dat de vaststelling kan rechtvaardigen van regels die strekken tot behoud van een zekere mate van stabiliteit in het spelersbestand waaruit de clubs de ploegen kunnen samenstellen die zij tijdens een bepaalde competitie opstellen.
Het is wederom aan de verwijzende rechter om te beoordelen of de afspraak, indien deze er niet toe strekt de mededinging te beperken, kan worden gerechtvaardigd door de nastreving van een legitiem doel van algemeen belang en bovendien passend, noodzakelijk en evenredig in strikte zin is.
Bron: arrest van het Hof van 30 april 2026 in zaak C-133/24, met perscommuniqué
Afdeling bestuursrechtspraak: standplaatsvergunning Groningen is geen schaarse vergunning
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen heeft volgens de Afdeling bestuursrechtspraak ten onrechte een standplaatsvergunning die oorspronkelijk voor onbepaalde tijd was verleend omgezet naar een vergunning voor bepaalde tijd, omdat sprake zou zijn van schaarste. Het college heeft de looptijd van de vergunning als gevolg daarvan ten onrechte beperkt.
Vishandel JP exploiteert een viskraam op een bedrijventerrein in Groningen en beschikt sinds 2014 over een standplaatsvergunning voor onbepaalde tijd. Het college van burgemeester en wethouders (“college”) heeft deze vergunning nadien omgezet in een standplaatsvergunning voor bepaalde tijd, omdat volgens het college sprake is van een schaarse vergunning. Per besluit van 7 december 2021 is deze wijziging met terugwerkende kracht toegepast op de standplaatsvergunning van JP.
Kern van het geschil is of de standplaatsvergunning een schaarse vergunning is en of als gevolg daarvan de looptijd ervan moet worden beperkt.
In beroep oordeelde de rechtbank dat het college de permanente standplaatsvergunning van Vishandel JP heeft mogen omzetten in een vergunning voor bepaalde tijd. Het college is er volgens de rechtbank terecht van uitgegaan dat de standplaatsvergunning schaars was. De rechtbank overwoog dat het college niet hoefde uit te gaan van gelijkwaardig aanbod in de directe omgeving, omdat het een standplaats met unieke kenmerken betreft. Bovendien zijn in de omgeving geen andere standplaatsen rechtstreeks aangewezen, waardoor alleen de standplaats van JP zekerheid geeft zonder afhankelijkheid van een ruimtelijke afweging. Daarnaast overwoog de rechtbank dat het niet ondenkbaar is dat er meer gegadigden voor de standplaats van JP zijn, omdat deze op een gunstige locatie staat.
Volgens Vishandel JP is er in dit geval geen sprake van een schaarse vergunning, omdat - kort gezegd - niet is gebleken dat het aanbod beperkt is. De Afdeling is het daarmee eens.
Er is sprake van schaarse publieke rechten als de som van de omvang van de aanvragen het aantal beschikbare rechten overtreft. Voor schaarse vergunningen impliceert dit dat voor het aantal te verlenen vergunningen een plafond geldt. Dit plafond kan voortvloeien uit schaarste van beschikbare natuurlijke hulpbronnen (fysieke schaarste), bruikbare technische mogelijkheden (technische schaarste) of kan om beleidsmatige redenen worden vastgesteld (beleidsmatige schaarste). Het college stelt dat er sprake is van een combinatie van fysieke en beleidsmatige schaarste.
De Afdeling licht ten eerste toe dat zij niet volgt dat sprake is van fysieke schaarste. Volgens de Afdeling gaat het bij de beoordeling van schaarste niet om het aantal locaties dat qua kenmerken gelijkwaardig is aan de standplaats van JP, maar om het aantal locaties dat geschikt is voor een standplaats. Het doel is immers te waarborgen dat andere dienstverleners de mogelijkheid hebben de betreffende activiteit te verrichten. Omdat het college niet in kaart heeft gebracht hoeveel locaties op het bedrijventerrein geschikt zijn voor een standplaats kan volgens de Afdeling niet worden geconcludeerd dat sprake van een fysieke beperking van het aantal beschikbare standplaatsen. Daarmee heeft het college fysieke schaarste aan de aanbodkant niet aannemelijk gemaakt.
Ook het betoog dat sprake zou zijn van beleidsmatige schaarste volgt de Afdeling niet.
Het college stelt dat sprake is van beperkt aanbod door beleidsmatige schaarste omdat bij elke aanvraag voor een standplaats op het bedrijventerrein een afzonderlijke ruimtelijke toets moet plaatsvinden en in de praktijk terughoudend wordt omgegaan met het toewijzen van nieuwe standplaatsen. Volgens de Afdeling maakt onzekerheid van de uitkomst van deze toets niet dat sprake is van schaarste. Deze onzekerheid is immers inherent aan het stelsel van ruimtelijke ordening.
Tot slot overweegt de Afdeling dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van dermate veel vraag dat al op voorhand evident is dat er onvoldoende standplaatsen beschikbaar zijn om in die vraag te voorzien.
De Afdeling concludeert kortom dat niet aannemelijk is gemaakt dat sprake is van fysieke en/of beleidsmatige schaarste en dat daarom in beginsel geen sprake is van een schaarse vergunning. De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond en herroept het besluit van 7 december 2021, waardoor de standplaatsvergunning van JP weer voor onbepaalde tijd geldt.
Bron: uitspraak van de Raad van State van 22 april 2026 in zaak ECLI:NL:RVS:2026:2305
Europese Commissie keurt tijdelijk staatssteunkader goed ter ondersteuning van sectoren die zijn getroffen door crisis in het Midden-Oosten
De Europese Commissie heeft een tijdelijk staatssteunkader goedgekeurd om de lidstaten in staat te stellen de economie van de EU te ondersteunen in de context van de crisis in het Midden-Oosten. Het tijdelijk staatssteunkader in verband met de crisis in het Midden-Oosten (Metsaf) is erop gericht enkele van de meest blootgestelde sectoren van de economie aan te pakken: landbouw, visserij, vervoer en energie-intensieve industrieën.
Voor landbouw, visserij, vervoer over weg, spoor en binnenwateren en de korte zeevaart binnen de EU kunnen lidstaten maximaal 70% van de extra kosten compenseren die een begunstigde maakt als gevolg van de door de crisis stijgende prijzen voor brand- en meststoffen. Lidstaten bepalen de prijsstijging door vergelijking met een toepasselijke historische benchmarkprijs. Daarnaast kunnen lidstaten tot vijftigduizend euro steun aan begunstigden in deze sectoren geven op basis van proxy’s, zoals een algemene raming van het brandstofverbruik, in plaats van gedetailleerd bewijs van het werkelijke gebruik van begunstigden.
Om de energie-intensieve industrie te ondersteunen wordt de mogelijke steun onder de tijdelijke regelingen voor verlaging van de elektriciteitsprijs overeenkomstig afdeling 4.5 van het Staatssteunkader Clean Industrial Deal (“Cisaf”) verhoogd van 50% naar 70%. Dit kan tot 50% van het totale verbruik van de begunstigde dekken en vereist geen extra decarbonisatie-inspanningen. Cumulering met steun op grond van de richtsnoeren ETS-staatssteun is mogelijk voor maximaal de helft van het steunbedrag verleend op grond van afdeling 4.5 van het Cisaf.
Dit tijdelijk staatssteunkader zal van kracht zijn tot en met 31 december 2026.
Bron: persbericht van de Europese Commissie van 29 april (link)
Europese Commissie daagt Nederland voor het Hof van Justitie wegens het niet omzetten van de richtlijn betreffende de weerbaarheid van kritieke entiteiten en stuurt met redenen omkleed advies wegens het niet volledig omzetten van de omnibusrichtlijn inzake het Europees centraal toegangspunt
De Europese Commissie daagt verschillende lidstaten, waaronder Nederland, voor het Hof van Justitie van de Europese Unie omdat zij de CER-richtlijn (Richtlijn EU 2022/2557 betreffende de weerbaarheid van kritieke entiteiten) niet hebben omgezet. Deze Richtlijn waarborgt de doorlopende verlening van diensten die van essentieel belang zijn voor de samenleving en de economie van de EU in belangrijke sectoren als energie, vervoer, gezondheid, water, het bankwezen en digitale infrastructuur. De lidstaten moeten regelmatig risicobeoordelingen uitvoeren om kritieke entiteiten in kaart te brengen en te waarborgen dat die entiteiten passende maatregelen treffen om de ononderbroken verlening van essentiële diensten te beschermen. Nederland implementeert de CER-richtlijn middels de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten die op 15 april 2026 door de Tweede Kamer werd aangenomen. Het wetsvoorstel ligt bij de Eerste Kamer.
Daarnaast stuurde de Europese Commissie op 29 april 2026 een met redenen omkleed advies naar Nederland, Spanje, Portugal en Zweden wegens het onvolledig omzetten van de Europees centraal toegangspunt-omnibusrichtlijn (Richtlijn EU 2024/2864). Deze richtlijn maakt deel uit van een wetgevingspakket dat de oprichting vergemakkelijkt van een centraal mechanisme dat eenvoudig toegankelijke, vergelijkbare en bruikbare openbare informatie biedt aan beleggers en andere belanghebbenden.
Bron: inbreukenpakket voor april (link), persbericht van de Europese Commissie van 29 april 2026 (link)