Na de invoering van de Wet werk en zekerheid (Wwz) was niet langer duidelijk of een voorwaardelijke ontbinding van een arbeidsovereenkomst nog tot de mogelijkheden behoorde. Bij de invoering van deze wet heeft de wetgever zich hier niet over uitgesproken. De Hoge Raad heeft op 23 december 2016 in een prejudiciële procedure, waarin de kantonrechter Enschede hem om uitleg over deze kwestie heeft gevraagd, opheldering gegeven.
Voorwaardelijke ontbinding
Wanneer een werkgever een werknemer op staande voet had ontslagen, stond voor invoering van de Wwz onomstotelijk vast dat de werkgever na het ontslag op staande voet de kantonrechter kon verzoeken de arbeidsovereenkomst ook voorwaardelijk te ontbinden. Door middel van deze voorwaardelijke procedure kon worden voorkomen dat een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd zou doorlopen bij een eventuele vernietiging van het ontslag.
Na invoering van de Wwz kwam de voorwaardelijke ontbindingsprocedure op losse schroeven te staan. Waar het Hof ’s-Hertogenbosch oordeelde dat voorwaardelijke ontbinding mogelijk is onder de Wwz, liet het Hof Arnhem-Leeuwarden zich juist kritisch uit over de mogelijkheid van voorwaardelijke ontbinding. De kantonrechter Enschede zag in zijn tussenbeschikking van 20 mei 2016 aanleiding om de Hoge Raad over deze belangrijke arbeidsrechtelijke kwestie prejudiciële vragen te stellen.
Het oordeel van de Hoge Raad
Volgens de Hoge Raad kan een werkgever die een werknemer op staande voet heeft ontslagen ook onder de Wwz aan de kantonrechter verzoeken de arbeidsovereenkomst voorwaardelijk te ontbinden. De arbeidsovereenkomst kan echter alleen voorwaardelijk worden ontbonden als de betreffende kantonrechter zelf oordeelt dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is geweest. In het andere geval is er immers geen sprake meer van een arbeidsovereenkomst die (voorwaardelijk) kan worden ontbonden.
Verder heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het wenselijk is dat de kantonrechter de procedure met betrekking tot de geldigheid van het ontslag en de voorwaardelijke ontbindingsprocedure, hoewel het twee afzonderlijke rechtsfiguren zijn, zoveel mogelijk gelijktijdig behandelt en daarover beslist. Daarnaast heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de wettelijke bewijsregels in beginsel van overeenkomstige toepassing zijn in voorwaardelijke ontbindingsprocedures.
Ten slotte
Het lange wachten is beloond. De beantwoording van de prejudiciële vragen door de Hoge Raad biedt duidelijkheid. Voorwaardelijke ontbinding onder de Wwz is mogelijk, mits de kantonrechter op verzoek van de werknemer tot het oordeel komt dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven.
Bronnen:
- HR 23 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2998
- Zie over de mogelijkheid van voorwaardelijke ontbinding voor en na de Wwz ook het blog: Voorwaardelijke ontbinding: kan het nog?