De belangen die spelen bij CDR
Bedrijven kunnen (aanzienlijke) schade lijden als de te realiseren netto emissiereductie teniet gaat door een incident met betrekking tot het CDR-project. Zij zullen mogelijk op zoek moeten gaan naar vervangende koolstofcredits of een bevolen of eigen emissiereductiedoelstelling niet halen. Gezien de verwachte belangstelling voor de koolstofcredits kan deze schade flink oplopen.
Daarnaast kan het tenietgaan van een CDR-project ook gevolgen hebben voor de staat, aangezien die internationaal afgerekend wordt op zijn emissies. Het is dus mogelijk dat ook de staat schade lijdt doordat – door bedrijven aangekochte – koolstofcredits verloren gaan. Ook de staat kan een bevolen of overeengekomen emissiereductiedoelstelling missen als gevolg hiervan. Eventueel kunnen de belangen van de staat gewaarborgd worden via de uitwerking van de certificeringsregeling op grond van Verordening (EU) 2024/3012, maar dat is op dit moment nog onzeker.
Aansprakelijkheid als gevolg van het tenietgaan van CDR-projecten
De omvang van de regelgeving op dit gebied is (vooralsnog) behoorlijk beperkt. Verordening (EU) 2024/3012, waarin de certificering van koolstofverwijdering wordt gereguleerd maakt een kleine aanzet, maar daar blijft het ook bij. Het gevolg hiervan is dat degene die zijn schade vergoed wil zien zijn claim over het algemeen zal moeten baseren op de algemene regels uit artikel 6:74 BW en 6:162 BW. De vraag of aansprakelijkheid bestaat voor het tenietgaan van een CDR-project, en jegens wie, is in grote mate afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
Contractuele aansprakelijkheid
Over het algemeen zullen de exploitant van een CDR-project en de afnemer van de koolstofcredits een overeenkomst afsluiten, waarin de exploitant zal proberen zijn aansprakelijkheid te beperken. De aansprakelijkheidsverdeling zal met name worden bepaald door de uitgiftevoorwaarden van de koolstofcredits. Niet ongebruikelijk is om in deze overeenkomsten een beding op te nemen dat aangekochte koolstofcredits moeten worden vervangen indien de CO2-verwijdering door een verwijtbaar of opzettelijk veroorzaakte niet-natuurlijke gebeurtenis teniet gaat. Dit moet echter wel mogelijk zijn en de exploitant moet de kosten hiervan wel kunnen dragen.
Om zo veel mogelijk uit te sluiten dat afnemers komen te kampen met niet-verhaalbare schade, wordt ook wel gewerkt met buffers. Dit houdt in dat een deel van de – met een project samenhangende – credits niet op de markt gebracht wordt en zo gebruikt kan worden om verloren credits te compenseren. Ook kunnen meerdere CDR-projecten gezamenlijke buffers opbouwen. Of dit voldoende zal zijn om kopers schadeloos te stellen zal moeten blijken.
Jurisprudentie over deze materie is er nog niet, maar verwachten wij wel.
Buitencontractuele aansprakelijkheid
Deze vorm van aansprakelijkheid is van bijzonder belang voor de staat. De staat is immers geen partij bij de gesloten overeenkomst, maar kan wel schade lijden als gevolg van een gebeurtenis met negatieve gevolgen voor een CDR-project. Zoals gezegd voorziet Verordening (EU) 2024/3012 niet in een regeling voor deze problematiek.
Het lijkt er niet op dat de staat zijn schade zal kunnen verhalen op een van de twee contractspartijen, zelfs niet bij verwijtbaar handelen. Het is onwaarschijnlijk dat de exploitant door zijn nalatigheid in het nemen van maatregelen tegen het tenietgaan van het project, of de nalatigheid van de afnemer om maatregelen te treffen ter voorkoming van het schadeveroorzakende gedrag van de exploitant, onrechtmatig is jegens de staat.
Mogelijk is er één situatie waarin wel een regelgevend kader voor buitencontractuele aansprakelijkheid bestaat. Het is mogelijk dat de Milieuaansprakelijkheidsrichtlijn van toepassing is (Richtlijn 2004/35/EG), geïmplementeerd in Nederlands door middel van de Wet milieubeheer, artikel 17.6 e.v. Dat is het geval als het CDR-project wordt gerealiseerd in een Natura 2000-gebied en is gericht op het herstel van dat gebied.
De Wet milieubeheer biedt een grondslag om de veroorzaker van de schade aansprakelijk te houden, in plaats van artikel 6:162 BW of 6:165 BW. Daarbij kan de veroorzaker ook aansprakelijk worden gehouden voor het verlies van CO2-verwijderend vermogen. Het lijkt niet mogelijk om de veroorzaker ook verantwoordelijk te houden voor de CO2-uitstoot als gevolg van de gebeurtenis, omdat deze weer het gevolg is van de aantasting van het natuurgebied en daarom wellicht in een te ver verwijderd verband staat met de schadeveroorzakende handeling.
Begroting van schade
Over de omvang van de verhaalbare schade is in het algemeen moeilijk iets te zeggen, aangezien die zal afhangen van de omstandigheden van het geval. Wel verwachten wij dat, wat betreft de afnemer van koolstofcredits, de kosten voor het vervangen van de verloren koolstofcredits een oriëntatiepunt zal bieden. Voor de exploitant van het CDR-project kan ook een rol spelen dat die mogelijk niet langer aan zijn contractuele verplichtingen kan voldoen en dat er sprake kan zijn van verlies van verdiencapaciteit.
Het belang van CDR neemt toe, maar is er een afdoende juridisch kader?
Hoewel CDR naar verwachting een belangrijk rol zal spelen in het behalen van klimaatbeleiddoelstellingen, ontbreekt het vooralsnog aan een duidelijk juridisch kader omtrent aansprakelijkheid bij het tenietgaan van projecten. Met betrekking tot private afnemers van koolstofcredits kan dat gat gedicht worden door middel van contractuele aansprakelijkheidsregelingen. Voor de overheid – geen partij bij de overeenkomsten – biedt dit geen soelaas, terwijl het mogelijk wel gevolgen heeft voor haar reductiedoelstellingen en -verplichtingen. Het is niet waarschijnlijk dat zij haar schade zal kunnen verhalen op grond van de onrechtmatige daad. Onder omstandigheden zou de Milieuaansprakelijkheidsrichtlijn nog soelaas kunnen bieden.
Raadpleeg hier het artikel van Edward Brans en Haomiao Du over koolstofverwijdering in het Nederlands tijdschrift voor burgerlijk recht.
En vind hier Verordening (EU) 2024/3012, hier Verordening (EU) 2024/1032 en hier Richtlijn 2004/35/EG.