Ga naar hoofdinhoud
Home Kennis Uitleg van een planregel levert op zichzelf geen procesbelang op voor hoger beroep

Uitleg van een planregel levert op zichzelf geen procesbelang op voor hoger beroep

28 augustus 2026
Nadiah Amoah
en
Rosanne Bassie

Een bestuursorgaan heeft volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) in beginsel procesbelang bij een hoger beroep over de uitleg van een planregel als een rechtbank een besluit heeft vernietigd, vanwege de mogelijke precedentwerking van die uitspraak. Dit uitgangspunt kent uitzonderingen. De Afdeling laat zich in haar uitspraak van 19 augustus 2026 uit over één van deze uitzonderingen. Heeft een bestuursorgaan nog voldoende reëel en actueel belang bij een hoger beroep over de uitleg van een planregel als de vergunningaanvrager zijn aanvraag intrekt?

Waar ging de zaak over?

Op 17 november 2021 dient een bedrijf een aanvraag in voor het bouwen van 22 bedrijfsunits. Het college verleent vervolgens een omgevingsvergunning (op grond van de Wabo) voor de bouw van de bedrijfsunits. Tegen dit besluit wordt bezwaar gemaakt door omwonenden. De bezwaren tegen dit besluit heeft het college ongegrond verklaard, waarbij de verleende vergunning in stand is gelaten en is aangevuld met een voorschrift. De bezwaarmakers gaan tegen de beslissing op bezwaar in beroep en verzoeken de rechtbank om een voorlopige voorziening te treffen. Kortgezegd vinden de omwonenden dat de omgevingsvergunning in strijd is met het bestemmingsplan, omdat het bestemmingsplan slechts één bedrijf op het perceel zou toestaan (en niet 22).

Oordeel van de voorzieningenrechter in eerste aanleg

De voorzieningenrechter (Rb. Rotterdam 8 februari 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:990) verklaart de beroepen van de omwonenden gegrond. De voorzieningenrechter overweegt dat het college een onjuiste uitleg aan de desbetreffende planregel heeft gegeven, door ervan uit te gaan dat de planregel meer dan één bedrijf op het perceel toestaat. Deze uitleg strookt namelijk niet met de omschrijving van de bestemming ‘Bedrijf’ in het bestemmingsplan: ‘de voor Bedrijf aangewezen gronden zijn bestemd voor de uitoefening van een bedrijf uit ten hoogste categorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten’. Uit de omstandigheid dat hier wordt gesproken over ‘het uitoefenen van een bedrijf’, in enkelvoud, moet worden afgeleid dat slechts één bedrijf op het onderhavige perceel is toegestaan, aldus de voorzieningenrechter. De voorzieningenrechter doet direct einduitspraak, vernietigt de beslissing op bezwaar en herroept de omgevingsvergunning voor de 22 bedrijfsunits.

Naar aanleiding van de uitspraak van de voorzieningenrechter moet het college een nieuw besluit nemen op de aanvraag. Het bedrijf trekt zijn aanvraag om een omgevingsvergunning echter in na de uitspraak. Daarnaast verkoopt het bedrijf de gronden waar de omgevingsvergunning op zag aan de gemeente. Er ligt dus niet langer een aanvraag waarop het college een (nieuw) besluit kan nemen. Toch wil college in hoger beroep een oordeel over de uitspraak van de voorzieningenrechter en hoe deze de desbetreffende planregel uitlegt. Daarom komt in hoger beroep allereerst aan de orde of het college nog wel over procesbelang beschikt.

Het oordeel van de Afdeling

Procesbelang is het belang dat een partij heeft bij de uitkomst van een procedure. Daarbij gaat het erom of het doel dat die partij voor ogen staat, kan worden bereikt en of dat van betekenis is voor die partij. Het procesbelang moet reëel en actueel zijn.

Naar oordeel van de Afdeling beschikt het college niet over een reëel en actueel belang bij een beoordeling van zijn hoger beroep over de uitleg van de desbetreffende planregel. Het hoger beroep wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard. De Afdeling maakt hiermee een uitzondering op haar hoofdregel, dat een bestuursorgaan in beginsel belang heeft bij de beoordeling van een hoger beroep over de uitleg van een planregel als de rechtbank een besluit geheel of gedeeltelijk heeft vernietigd, vanwege de precedentwerking die van die vernietiging kan uitgaan. Dat is bijvoorbeeld van belang als de omgevingsvergunning betrekking heeft op terugkerende of toekomstige gelijksoortige activiteiten, waarbij het inhoudelijke oordeel van de rechtbank kan worden betrokken bij die toekomstige besluiten.[1]

Een dergelijke situatie doet zich hier niet voor, omdat er geen sprake meer is van een aanvraag die het college moet toetsen aan de planregel. Bovendien is de gemeente niet van plan om het perceel nog voor de vestiging van bedrijven te gaan gebruiken en is er elders binnen de gemeente ook geen sprake van een procedure waarbij toetsing aan deze planregel aan de orde is. Tot slot is het college niet afhankelijk van een oordeel van de Afdeling over de uitleg van de planregel, omdat het college de ruimte heeft om bij de beoordeling van toekomstige aanvragen af te wijken van het bestemmingsplan (inmiddels: het tijdelijke deel van het omgevingsplan) en kan het college de gemeenteraad verzoeken om de planregel aan te passen om deze in lijn te brengen met de uitleg die het college aan de planregel geeft. Aan een inhoudelijk oordeel over de uitsprak van de voorzieningenrechter wordt daarom niet toegekomen.

Betekenis voor de praktijk

In lijn met haar huidige jurisprudentielijn bevestigt de Afdeling met deze uitspraak dat hoewel de hoofdregel luidt dat een bestuursorgaan in beginsel belang heeft bij de beoordeling van een hoger beroep over de uitleg van een planregel als de rechtbank een besluit geheel of gedeeltelijk heeft vernietigd, dit uitgangspunt niet altijd opgaat. Zoals deze uitspraak illustreert zijn uitzonderingen op dit uitgangspunt mogelijk, afhankelijk van verschillende factoren waaronder de vraag of er nog een toetsbare aanvraag ligt, of er andere procedures lopen over de uitleg van de betreffende planregel en of het bestuursorgaan concrete plannen heeft waarbij een uitspraak in hoger beroep van belang is.

Raadpleeg hier de uitspraak van de Afdeling van 19 augustus 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4856.


[1] Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 15 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2068, r.o. 5.