Wat speelde er in deze zaak?
Het college heeft een omgevingsvergunning verleend voor het aanleggen van twee inritten. Deze twee inritten zijn bedoeld voor het perceel van de bewoner (vergunninghouder) en het perceel van zijn buurman. Het college heeft bij de behandeling van de vergunningsaanvraag in eerste instantie alleen aan artikel 2.2, eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in samenhang met artikel 2:12 van de algemene plaatselijke verordening getoetst. Beide artikelen zien op het maken, hebben of veranderen van een uitweg.
Een omwonende is het niet eens met de plannen voor de inritten en maakt bezwaar tegen de vergunning. Hij vreest voor de ruimtelijke uitstraling van de inritten. Ook is het gebruik van de gronden voor de inritten volgens hem in strijd met het bestemmingsplan, waarin aan de percelen de bestemming “Natuur” is toegekend.
In bezwaar concludeert het college dat de aanvraag voor de aanleg van de inritten inderdaad ook aan het bestemmingsplan had moeten worden getoetst. De aanleg van de inritten hangt namelijk onlosmakelijk samen met het gebruik ervan. Het college toetst in bezwaar daarom alsnog aan het bestemmingsplan Bij de planregels is een inrichtingsplan als bijlage gevoegd. Dat inrichtingsplan bevat regels over de landschappelijke inpassing en beeldkwaliteit van enkele locaties binnen het plangebied, waaronder de locatie van de woningen van vergunninghouder en zijn buurman. In het inrichtingsplan is opgenomen dat de landhuizen op die locatie samen beschikken over één ontsluiting op de voorliggende laan, die zorgt voor een duidelijke samenhang tussen de twee woningen. Het college komt tot het oordeel dat de twee inritten in strijd zijn met het bestemmingsplan en het inrichtingsplan. Het college wil geen vergunning verlenen om hiervan te kunnen afwijken, maar wil dat er één gezamenlijke inrit wordt aangelegd overeenkomstig het inrichtingsplan. Het college heeft de vergunning voor de inritten daarom herroepen en alsnog geweigerd.
Vergunninghouder gaat in beroep. De rechtbank oordeelt dat de twee inritten niet in strijd zijn met het bestemmingsplan. De rechtbank heeft onder verwijzing naar ABRvS 3 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2444, r.o. 7.4 overwogen dat het bij de planregels horende inrichtingsplan onvoldoende concreet en duidelijk is om als aanvullend toetsingskader voor het gebruik van de inritten te dienen. In die uitspraak oordeelde de Afdeling over het inrichtingsplan in kwestie dat de bouwregels in het inrichtingsplan niet eenduidig en consistent zijn, maar vaag en van elkaar afwijken. De Afdeling concludeerde dat het inrichtingsplan als geheel onvoldoende concreet en duidelijk is om te dienen als zelfstandig toetsingskader naast de regels in het bestemmingsplan, waarin de bebouwingseisen exact zijn weergegeven. Volgens de rechtbank kan het inrichtingsplan niet als aanvullend toetsingskader dienen. De rechtbank verklaart het beroep van vergunninghouder daarom gegrond en vernietigt het besluit om de vergunning te herroepen en te weigeren. De uitspraak van de rechtbank is helaas niet gepubliceerd.
De omwonende en het college gaan in hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank. Zij vinden dat de rechtbank had moeten oordelen dat de twee inritten in strijd zijn met de bestemming “Natuur”. Daarnaast vinden zij dat de inritten ook via het inrichtingsplan in strijd zijn met het bestemmingsplan, omdat het inrichtingsplan voldoende concreet en duidelijk is om als aanvullend toetsingskader te dienen.
Oordeel van de Afdeling
De Afdeling oordeelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geconcludeerd dat het gebruik van de twee inritten niet in strijd is met het bestemmingsplan. De rechtbank heeft ten onrechte uit de Afdelingsuitspraak uit 2021 afgeleid dat het inrichtingsplan in zijn geheel onvoldoende concreet en duidelijk is. Het oordeel van de Afdeling in die uitspraak zag alleen op de bouwregels en is niet zonder meer ook van toepassing op de gebruiksregels die in het inrichtingsplan zijn opgenomen. In de uitspraak uit 2021 staat echter letterlijk dat ‘de conclusie is dat het inrichtingsplan als geheel onvoldoende concreet en duidelijk is om te dienen als zelfstandig toetsingskader naast de regels in het bestemmingsplan’. Kennelijk ziet dat alleen op de bouwregels in het inrichtingsplan, maar de woordkeuze ‘het inrichtingsplan als geheel’ is mijns inziens wat verwarrend.
De Afdeling oordeelt vervolgens dat de gebruiksregels in het inrichtingsplan wel voldoende concreet en duidelijk zijn. Over het gebruik is namelijk bepaald dat de landhuizen samen beschikken over één ontsluitingsweg die zorgt voor een duidelijke samenhang tussen de twee woningen. Verder is opgenomen dat de twee woningen worden ontsloten via één gemeenschappelijke inrit die wordt aangesloten op voorliggende laan. Bovendien zijn er afbeeldingen bijgevoegd, waarbij één inrit zichtbaar is en groen is voorzien op de plek waar de bewoner de inritten wil aanleggen. Op grond van deze aspecten uit het inrichtingsplan oordeelt de Afdeling dat de gebruiksregels in het inrichtingsplan een voldoende concrete toetsingsnorm zijn voor de aanvraag van de omgevingsvergunning voor de twee inritten. Het college had zich in bezwaar terecht op het standpunt gesteld dat de aanvraag voor de inritten in strijd is met het inrichtingsplan en het bestemmingsplan, omdat de bewoner geen gezamenlijke inrit heeft aangevraagd bij de vergunning.
Of de twee inritten ook in strijd zijn met de bestemming “Natuur” hoeft niet meer te worden beoordeeld. De Afdeling verklaart de hoger beroepen van de omwonende en het college gegrond en bepaalt dat het besluit waarbij het college de vergunning voor de inritten weigerde alsnog in stand blijft. De twee inritten kunnen dus niet worden aangelegd.
Wat betekent dit voor de praktijk?
De Afdeling bevestigt in haar uitspraak van 12 augustus 2026 de al bestaande jurisprudentielijn voor het toepassen van een inrichtingsplan als aanvullend toetsingskader bij de aanvraag van een vergunning die aan het bestemmingsplan moet worden getoetst. Om een inrichtingsplan als aanvullend toetsingskader te kunnen gebruiken, moet dit plan op het punt van de activiteit waar de vergunning voor wordt aangevraagd voldoende concreet en duidelijk zijn. De Afdeling maakt in deze uitspraak opnieuw inzichtelijk hoe invulling wordt gegeven aan dat vereiste. Ook volgt uit deze uitspraak dat wanneer de bouwregels in het inrichtingsplan onvoldoende concreet en duidelijk zijn dat niet noodzakelijk afdoet aan de gebruiksregels in het inrichtingsplan. Wanneer de gebruiksregels voldoende concreet en duidelijk zijn, kunnen die wel als aanvullend toetsingskader dienen.
Raadpleeg hier de volledige uitspraak van de Afdeling van 12 augustus 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4730.