Ga naar hoofdinhoud
Home Actueel Nieuws Over de schotten van het strafrecht heen

Over de schotten van het strafrecht heen

20 januari 2026

Een man die in 2008 strafrechtelijk was vrijgesproken van heling van vijf schilderijen en witwassen, werd in 2020 door de civiele rechter alsnog aansprakelijk gehouden voor de schade die de Nederlandse Staat had geleden door zijn betrokkenheid bij deze strafbare feiten. Advocaat Gijsbrecht Nieuwland, die de Staat bijstond, legt uit wat hieraan voorafging en licht toe welke juridische inzichten deze bijzondere zaak oplevert.

“Geen dagelijkse kost”, noemt advocaat Gijsbrecht Nieuwland de civiele zaak die hij in 2018 namens de Nederlandse Staat aanspande tegen een man uit België. Waar het om ging, was de terugvordering van een bedrag van achthonderdduizend euro dat was zoekgeraakt bij een undercoveractie om met een ‘pseudokoop’ gestolen kunstwerken op te sporen en terug te halen. Diezelfde man was in 2008 nog vrijgesproken voor betrokkenheid bij heling – van diezelfde schilderijen – en witwassen wegens gebrek aan bewijs.

Gijsbrecht Nieuwland


“Toen ik voor het eerst las over deze zaak, was al duidelijk dat er vijf schilderijen waren geroofd uit een museum en weer in het vizier van de politie waren gekomen. Ik dacht wel: dit klinkt als het begin van een jongensboek. Vervolgens mocht ik me ook nog verdiepen in de kleurrijke opsporing die daarop volgde. De politie zette infiltranten in om zicht te krijgen op wie de schilderijen te koop aanbood en of daar nog weer mensen achter zaten. Dat was heel bijzonder om te lezen”, aldus Nieuwland.

Maar wat deze zaak vooral ongewoon maakt, is dat de Staat de man civielrechtelijk aansprakelijk stelde voor zijn betrokkenheid bij strafbare feiten, terwijl hij daarvan door de strafrechter onherroepelijk was vrijgesproken. Tussen die twee sporen bestaat een groot verschil: waar het in de strafzaak ging om het bewijzen van schuld, stond hier het vestigen van civielrechtelijke aansprakelijkheid centraal. De man was ‘gedaagde’ in plaats van ‘verdachte’. Nieuwland: “Hem opnieuw strafrechtelijk vervolgen kon niet. Dat zou in strijd zijn met het rechtsbeginsel ‘ne bis in idem’: je mag niet twee keer voor hetzelfde worden vervolgd.”

De Kwakzalver van Adriaen van Ostade (links) en Het Drinkgelad van Cornelis Dusart (rechts)

De verdwenen acht ton

Het verhaal begint in 2002, met de diefstal van vijf schilderijen uit het Frans Hals Museum in Haarlem. Als de kunstwerken in 2007 in het helercircuit opduiken, zetten politie en OM infiltranten in en komt er een deal: vijf schilderijen voor een totaalprijs van anderhalf miljoen euro, te overhandigen in drie gelijke delen.

Zodra alle kunstwerken bij de derde transactie zijn veiliggesteld, worden de betrokkenen, toen nog allen als verdachten – onder wie de man uit België – aangehouden. Op dat moment is er al één miljoen euro aan losgeld daadwerkelijk overhandigd, waarvan slechts een kleine twee ton wordt teruggevonden. De resterende acht ton verdwijnt spoorloos.

In 2014, jaren na zijn vrijspraak in 2008, legde de man een getuigenverklaring af in de ontnemingszaak tegen twee veroordeelde verdachten. Daarin verklaarde hij dat hij wel degelijk betrokken was geweest bij de heling van de schilderijen en bovendien een deel van het losgeld had opgestreken, naar eigen zeggen 350.000 euro. Dat was voor het OM de cruciale aanleiding om in 2018 een civiele procedure tegen de man te starten. De bekentenis vormde het belangrijkste bewijs op basis waarvan de rechter hem uiteindelijk aansprakelijk hield voor de acht ton schade die de Staat had geleden.

Het zou kunnen dat de man zich in het getuigenverhoor veilig waande voor verdere juridische gevolgen van zijn uitspraken, vermoedt Nieuwland. “Tijdens het verhoor dacht hij dat hij geen risico meer liep en het dus gerust kon vertellen. Voor de strafrechtelijke risico’s klopte dat, maar hij hield denk ik geen rekening met het civiele traject dat hierdoor juist mogelijk werd gemaakt.”


Twee routes naar aansprakelijkheid

In de civiele zaak waren twee verschillende ankers waar de aansprakelijkheid voor de verdwijning van het losgeld op kon worden gebaseerd. Het eerste was onrechtmatig handelen. “Dat onrechtmatig handelen bestond uit betrokkenheid bij heling en witwassen. Dat riep natuurlijk wel de vraag op hoe dat zich verhield tot de eerdere vrijspraak door de strafrechter. Maar het was wel de route met de grootste kans op vergoeding van de volledige schade. Want als iemand op een of andere manier betrokken is bij zo’n onrechtmatige transactie – ook al verdient hij daar zelf niet het volledige bedrag aan, in dit geval die acht ton – dan kun je hem toch voor het hele bedrag aanspreken”, aldus Nieuwland.

Het tweede anker was het aantonen van ‘ongerechtvaardigde verrijking’. “Dit is een moreel neutralere route, omdat daarvoor geen bewijs van verwijtbaar handelen nodig is. Wel was vereist dat kwam vast te staan dat hij een bepaald bedrag van het losgeld ook daadwerkelijk had weten te bemachtigen en houden.” En was dat dan de 350.000 euro waarover hij zelf had verklaard, of de volledige acht ton, zoals de Staat vermoedde op basis van andere informatie? Zou de eerste route op niets uitlopen, dan was het plan om op de tweede terug te vallen. Maar zover is het niet gekomen, omdat zowel de rechtbank als het hof oordeelde dat de man onrechtmatig heeft gehandeld, waardoor de Staat schade heeft geleden.

Civiele terug vordering van verdwenen losgeld gestolen schilderijen

Driedelige deal

De vijf schilderijen die in 2002 uit het Frans Hals Museum werden gestolen, bleken later in handen te zijn gekomen van hogere echelons van het criminele milieu. Het ging om De Kwakzalver van Jan Steen, De Muzikanten van Cornelis Bega, Drinkgelag van Cornelis Dusart en van Adriaen van Ostade De Kwakzalver en De Tevreden Drinker, die volgens nieuwsbronnen gezamenlijk ongeveer 2,5 tot 3 miljoen euro hadden opgeleverd op de kunstmarkt.

De schilderijen zijn vervolgens veiliggesteld op basis van een pseudokoop; een opsporingsmethode waarbij een opsporingsambtenaar zich voordoet als klant om goederen af te nemen bij een handelaar die verdacht wordt van heling.

Infiltratietraject

De totstandkoming van de pseudokoop was het resultaat van een zorgvuldig infiltratietraject. Een Engelse opsporingsambtenaar speelde de rol van koper en een Nederlandse infiltrant die van zijn vertrouweling. Zij legden contact met de bemiddelaar aan de zijde van de handelaren. Met lunches, borrels en talloze gesprekken wonnen ze hun vertrouwen. Het ministerie van Justitie en Veiligheid stelde vervolgens het geld beschikbaar.

3 tranches

De voorkeur van de opsporingsinstanties lag bij één enkele transactie, waarbij de volledige set kunstwerken gelijktijdig zou worden geleverd. Met een eenmalige betaling zouden de handelaren onmiddellijk worden aangehouden en zou het losgeld niet zoek kunnen raken. Maar de verkopers stonden alleen levering in tranches toe, wellicht uit angst voor een valstrik. Zo ontstond een driedelige deal die de politie dwong om telkens verder te investeren zonder meteen te kunnen ingrijpen.

5 ton

In de eerste tranche werden twee schilderijen geleverd tegen betaling van vijf ton. Welke twee schilderijen dit waren, is nooit bekendgemaakt. Vervolgens verdwenen de handelaren om het geld ‘in veiligheid’ te brengen.

5 ton

De tweede tranche volgde hetzelfde patroon: opnieuw twee schilderijen, opnieuw vijf ton losgeld. Het meest kostbare schilderij vormde de derde tranche, de ‘Jantje’ genoemd door de betrokkenen, verwijzend naar Jan Steens De Kwakzalver. Zo gauw dit in handen was van de politie, werden de verkopers aangehouden. De laatste vijf ton bleef daarmee in handen van de politie.

1 miljoen

Zo werd in totaal één miljoen euro aan losgeld betaald. Slechts een kleine twee ton werd later in contanten teruggevonden, verstopt in een kussen en achter een plint in woningen van twee betrokkenen. Voor de verdwijning van de resterende acht ton is de man uit België in 2020 civielrechtelijk aansprakelijk gehouden.

Verweer verworpen

In zijn verweer betwistte de man de hoogte van de schadevergoeding die de Staat vorderde. Hij voerde aan dat een groot deel van de geldbiljetten gemarkeerd en waardeloos was, en dat hij bovendien niet het volledige restant van de koopsom had ontvangen. In hoger beroep stelde hij dat de civiele procedure onterecht tegen hem was aangespannen omdat hij strafrechtelijk was vrijgesproken, dat de zaak verjaard was en dat de Nederlandse rechter niet bevoegd was omdat Belgisch recht van toepassing zou zijn. De transactie had volgens hem namelijk in België plaatsgevonden. De rechtbank en het hof verwierpen zijn verweer.

Wat hij ook niet mee had in deze zaak, was het rechtsgevoel van eenieder dat dit soort handelen niet moet lonen. “Dat heb ik ook in mijn pleitnota gezet. Het is eigenlijk ondenkbaar dat deze meneer dit geld mag houden, dat is niet uit te leggen.”

De Drinker van Adriaen van Ostade (links) en Voor de herberg van Cornelis P. Bega (rechts)


Wanneer strafrecht geen uitkomst biedt

Wat we volgens Nieuwland kunnen leren van deze zaak, is dat het de moeite waard is om buiten de gebaande paden te denken. “Als je in het ene rechtsgebied bent uitgespeeld omdat het instrumentarium tekortschiet, kan het in bepaalde gevallen lonen om over de schotten van de rechtsgebieden heen te kijken. Dat leert je ook dat je niet te snel moet opgeven.”

Dat inzicht is ook relevant voor andere zaken. Als voorbeeld noemt Nieuwland de nieuwe strafrechtelijke kostenmaatregel, die bedoeld is om de maatschappelijke kosten van drugsafval op de daders te verhalen. Bij die maatregel is het op dit moment niet mogelijk om strafvorderlijk beslag te leggen, zoals wel kan bij boetes en ontnemingen. Daarom is hier gekeken naar de mogelijkheid van civielrechtelijk beslag. De rechtbank ging daarin mee, wat voor het OM een belangrijke manier is om alsnog verhaal veilig te stellen voor zo’n kostenmaatregel.

Ondenkbaar dat deze meneer dat geld mag houden


Een ander voorbeeld betreft de zaak tegen een man die was veroordeeld voor drugshandel en een paar ton aan drugswinsten moest betalen. Maar hij had zijn hypotheekvrije woning aan zijn dochters overgedragen, de koopsom kwijtgescholden en zichzelf een levenslang recht van gebruik en bewoning voorbehouden, waardoor de woning feitelijk immuun werd voor executie. “Wie zou immers een dergelijke woning willen opkopen, wetende dat die nog lange tijd beschikbaar zou blijven voor deze veroordeelde man? Wij zijn toen een civiele procedure gestart en voerden aan dat deze constructie ongeldig was omdat die bedoeld was om schuldeisers, in dit geval de Staat, te benadelen. De rechter volgde dat. Ook hier bood het civiele recht dus een oplossing waar het strafrechtelijke instrumentarium geen soelaas bood.”


Aan deze zaak werkten de volgende advocaten mee: Gijsbrecht Nieuwland en Max Beekes

Gijsbrecht Nieuwland

Werkzaam bij Pels Rijcken sinds 2010 en sinds 2021 als partner. Adviseert en procedeert over kwestie op het grensvlak van privaatrecht en strafrecht, zoals strafvorderlijk beslag en schadevergoeding. Advocaat bij de Hoge Raad. Opleiding: Universiteit Leiden (LLM) en de Universiteit van Oxford (MJur).

Vond je dit artikel leuk?

Dit artikel verscheen eerder in Pels Rijcken Magazine. Abonneer je en ontvang Pels Rijcken Magazine als eerste in jouw mailbox.

Jaargang 3 | Nummer 7 | Januari 2026

Een greep uit de bijdragen:

  • Interview met Rinus Otte, voorzitter van College procureurs-generaal van het Openbaar Ministerie (OM): “Ruimere bevoegdheid voor uitvoerders van vonnissen.”
  • De juridische werkelijkheid van Martine Vis, programmadirecteur van de politie, en strafrechtadvocaat Marianne Hirsch Ballin: de implementatie van het nieuwe Wetboek van Strafvordering
  • Een reportage van Inzicht in Bestuursrecht: procedures onder spanning
  • Uit de landspraktijk: een bijdrage van Reimer Veldhuis
Deel dit artikel via LinkedIn en e-mail