“Geen dagelijkse kost”, noemt advocaat Gijsbrecht Nieuwland de civiele zaak die hij in 2018 namens de Nederlandse Staat aanspande tegen een man uit België. Waar het om ging, was de terugvordering van een bedrag van achthonderdduizend euro dat was zoekgeraakt bij een undercoveractie om met een ‘pseudokoop’ gestolen kunstwerken op te sporen en terug te halen. Diezelfde man was in 2008 nog vrijgesproken voor betrokkenheid bij heling – van diezelfde schilderijen – en
witwassen wegens gebrek aan bewijs.

“Toen ik voor het eerst las over deze zaak, was al duidelijk dat er vijf schilderijen waren geroofd uit een museum en weer in het vizier van de politie waren gekomen. Ik dacht wel: dit klinkt als het begin van een jongensboek. Vervolgens mocht ik me ook nog verdiepen in de kleurrijke opsporing die daarop volgde. De politie zette infiltranten in om zicht te krijgen op wie de schilderijen te koop aanbood en of daar nog weer mensen achter zaten. Dat was heel bijzonder om te lezen”, aldus Nieuwland.
Maar wat deze zaak vooral ongewoon maakt, is dat de Staat de man civielrechtelijk aansprakelijk stelde voor zijn betrokkenheid bij strafbare feiten, terwijl hij daarvan door de strafrechter onherroepelijk was vrijgesproken. Tussen die twee sporen bestaat een groot verschil: waar het in de strafzaak ging om het bewijzen van schuld, stond hier het vestigen van civielrechtelijke aansprakelijkheid centraal. De man was ‘gedaagde’ in plaats van ‘verdachte’. Nieuwland: “Hem opnieuw strafrechtelijk vervolgen kon niet. Dat zou in strijd zijn met het rechtsbeginsel ‘ne bis in idem’: je mag niet twee keer voor hetzelfde worden vervolgd.”

De verdwenen acht ton
Het verhaal begint in 2002, met de diefstal van vijf schilderijen uit het Frans Hals Museum in Haarlem. Als de kunstwerken in 2007 in het helercircuit opduiken, zetten politie en OM infiltranten in en komt er een deal: vijf schilderijen voor een totaalprijs van anderhalf miljoen euro, te overhandigen in drie gelijke delen.
Zodra alle kunstwerken bij de derde transactie zijn veiliggesteld, worden de betrokkenen, toen nog allen als verdachten – onder wie de man uit België – aangehouden. Op dat moment is er al één miljoen euro aan losgeld daadwerkelijk overhandigd, waarvan slechts een kleine twee ton wordt teruggevonden. De resterende acht ton verdwijnt spoorloos.
In 2014, jaren na zijn vrijspraak in 2008, legde de man een getuigenverklaring af in de ontnemingszaak tegen twee veroordeelde verdachten. Daarin verklaarde hij dat hij wel degelijk betrokken was geweest bij de heling van de schilderijen en bovendien een deel van het losgeld had opgestreken, naar eigen zeggen 350.000 euro. Dat was voor het OM de cruciale aanleiding om in 2018 een civiele procedure tegen de man te starten. De bekentenis vormde het belangrijkste bewijs op basis waarvan de rechter hem uiteindelijk aansprakelijk hield voor de acht ton schade die de Staat had geleden.
Het zou kunnen dat de man zich in het getuigenverhoor veilig waande voor verdere juridische gevolgen van zijn uitspraken, vermoedt Nieuwland. “Tijdens het verhoor dacht hij dat hij geen risico meer liep en het dus gerust kon vertellen. Voor de strafrechtelijke risico’s klopte dat, maar hij hield denk ik geen rekening met het civiele traject dat hierdoor juist mogelijk werd gemaakt.”

Twee routes naar aansprakelijkheid
In de civiele zaak waren twee verschillende ankers waar de aansprakelijkheid voor de verdwijning van het losgeld op kon worden gebaseerd. Het eerste was onrechtmatig handelen. “Dat onrechtmatig handelen bestond uit betrokkenheid bij heling en witwassen. Dat riep natuurlijk wel de vraag op hoe dat zich verhield tot de eerdere vrijspraak door de strafrechter. Maar het was wel de route met de grootste kans op vergoeding van de volledige schade. Want als iemand op een of andere manier betrokken is bij zo’n onrechtmatige transactie – ook al verdient hij daar zelf niet het volledige bedrag aan, in dit geval die acht ton – dan kun je hem toch voor het hele bedrag aanspreken”, aldus Nieuwland.
Het tweede anker was het aantonen van ‘ongerechtvaardigde verrijking’. “Dit is een moreel neutralere route, omdat daarvoor geen bewijs van verwijtbaar handelen nodig is. Wel was vereist dat kwam vast te staan dat hij een bepaald bedrag van het losgeld ook daadwerkelijk had weten te bemachtigen en houden.” En was dat dan de 350.000 euro waarover hij zelf had verklaard, of de volledige acht ton, zoals de Staat vermoedde op basis van andere informatie? Zou de eerste route op niets uitlopen, dan was het plan om op de tweede terug te vallen. Maar zover is het niet gekomen, omdat zowel de rechtbank als het hof oordeelde dat de man onrechtmatig heeft gehandeld, waardoor de Staat schade heeft geleden.

