Ga naar hoofdinhoud
Home Kennis Oneerlijk proceskostenbeding? Een proceskostenveroordeling blijft mogelijk

Oneerlijk proceskostenbeding? Een proceskostenveroordeling blijft mogelijk

29 oktober 2026
Allard Snethlage
en
Floris Sepmeijer

Vernietiging van een oneerlijk proceskostenbeding betekent niet dat de verhuurder iedere aanspraak op vergoeding van proceskosten verliest. Dit volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 1 oktober 2026 in een zaak van Woonstichting Lieven de Key (C 459/25, ECLI:EU:C:2026:810). Ook na vernietiging van het proceskostenbeding kan de consument-huurder die in het ongelijk wordt gesteld, op grond van de wettelijke proceskostenregeling in de kosten worden veroordeeld.

De casus

De zaak begon met een huurachterstand voor een parkeerplaats. De huurovereenkomst bepaalde dat alle gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten die de verhuurder bij niet-nakoming door de huurder maakte, voor rekening van de huurder kwamen. Toen betaling uitbleef, vorderde Woonstichting Lieven de Key onder meer ontbinding van de huurovereenkomst, ontruiming en vergoeding van de buitengerechtelijke kosten en proceskosten op grond van het proceskostenbeding. De huurder verscheen niet.

De kantonrechter Amsterdam onderzocht ambtshalve of het proceskostenbeding oneerlijk was. Volgens de kantonrechter was dit het geval. Daarmee kwam een vervolgvraag in beeld: kon de verhuurder na vernietiging van het proceskostenbeding nog wel aanspraak maken op een proceskostenvergoeding op grond van art. 237 Rv?

Volgens de kantonrechter is dat niet het geval. Het buiten toepassing laten van art. 237 Rv strookt volgens de kantonrechter met de bedoeling van de Richtlijn 93/13 EEG (de Richtlijn oneerlijke bedingen, hierna: 'Richtlijn 93/13'), namelijk het stellen van een sanctie op het gebruik van oneerlijke bedingen teneinde het gebruik daarvan te laten stoppen.

De kantonrechter stelde vervolgens twee prejudiciële vragen aan de Hoge Raad:

  1. Is het proceskostenbeding oneerlijk in de zin van Richtlijn 93/13 en daarmee een vernietigbaar beding?
  2. Brengt de vernietiging van het proceskostenbeding mee dat de rechter de huurder evenmin op de voet van art. 237 Rv in de proceskosten kan veroordelen?


Het beding is oneerlijk, maar wat is het gevolg?

De Hoge Raad oordeelde op 23 mei 2025 dat een beding dat de consument bij een tekortkoming verplicht alle gerechtelijke kosten van een professionele wederpartij te dragen, in het algemeen oneerlijk is (ECLI:NL:HR:2025:820). Ook een wederkerige formulering neemt die oneerlijkheid niet weg.

Voor dit oordeel is vooral van belang dat het wettelijke proceskostenstelsel de kosten voor de verliezende partij begrenst. De vergoeding voor rechtsbijstand wordt in de regel vastgesteld aan de hand van het liquidatietarief en valt daardoor vaak lager uit dan de werkelijk gemaakte proceskosten. Een beding waarbij alle werkelijk gemaakte proceskosten op de consument kunnen worden verhaald, doorbreekt die begrenzing. Dat de rechter de bedongen kosten op grond van art. 242 Rv kan matigen, maakt het beding niet alsnog eerlijk.

Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: 'Hof van Justitie') was niet met zekerheid af te leiden of de rechter na vernietiging van een proceskostenbeding nog een proceskostenveroordeling op de voet van art. 237 e.v. mag uitspreken ten laste van de consument. De Hoge Raad stelt daarom over dit punt een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie.

Een proceskostenveroordeling op grond van de wet blijft mogelijk

Het Hof van Justitie bevestigt in zijn uitspraak van 1 oktober 2026 eerst dat als een overeenkomst zonder het oneerlijke beding kan voortbestaan, de rechter een oneerlijk beding niet mag vervangen door een bepaling van aanvullend nationaal recht.

Beslissend is vervolgens wat in dit verband onder aanvullend recht valt. Het gaat volgens het Hof van Justitie om wettelijke bepalingen die bij gebreke van een afwijkende afspraak de contractuele rechten en verplichtingen van partijen invullen.

De wettelijke proceskostenregeling heeft een andere functie. Art. 237 Rv regelt de verdeling van de kosten van een gerechtelijke procedure en richt zich tot de rechter. Het liquidatietarief begrenst daarbij de vergoeding voor rechtsbijstand. Deze regels bepalen niet het evenwicht tussen rechten en verplichtingen van partijen bij een overeenkomst.

Artikel 237 Rv. is volgens het Hof van Justitie dus geen bepaling van aanvullend recht. Na vernietiging van een oneerlijk proceskostenbeding blijft een veroordeling van de consument in de proceskosten op grond van de wettelijke proceskostenregeling mogelijk.

Wat betekent dit voor de vastgoedpraktijk?

Voor professionele verhuurders die aan consumenten verhuren, neemt het arrest van het Hof van Justitie een belangrijke onzekerheid weg. Vernietiging van een oneerlijk proceskostenbeding staat op zichzelf niet in de weg aan een proceskostenveroordeling van de consument op grond van art. 237 Rv. Een proceskostenveroordeling op grond van de wet is vaak wel lager dan de werkelijke proceskosten die zijn gemaakt.

Bron: Hof van Justitie van de Europese Unie 1 oktober 2026, C-459/25, ECLI:EU:C:2026:810.

Vragen? Neem contact op met Floris Sepmeijer of Allard Snethlage