De politie en het nieuwe Wetboek van Strafvordering
15 januari 2026
De komst van het nieuwe Wetboek van Strafvordering behelst een monsteroperatie. Bedoeling is om met een ‘big bang’ op 1 april 2029 de nieuwe wet in werking te laten treden. In dit verhaal blikken programmadirecteur Martine Vis en advocaat Marianne Hirsch Ballin terug op het wetgevingstraject en schetsen zij de voorbereidingen van de start.
Nieuw wetboek
Het nieuwe Wetboek van Strafvordering vervangt de huidige versie uit 1926. Het wordt wel ‘het wegennet van de strafrechtelijke rechtshandhaving’ genoemd. Het huidige wetboek kreeg door de jaren heen vele wijzigingen en verdiende alleen al daarom grondige renovatie. Het nieuwe wetboek bestaat straks uit acht boeken, zoals voor het opsporingsonderzoek, de vervolging, de berechting en de tenuitvoerlegging.
Het betreft een van de meest omvangrijke wetswijzigingen uit de Nederlandse wetsgeschiedenis. Het gaat onder meer om een herstructurering van de wet, codificatie van nationale en Europese jurisprudentie, codificatie van beginselen en toevoeging van digitale opsporingsbevoegdheden. Van de verstevigde positie van de rechter-commissaris tot die van het slachtoffer en de opkomst van ‘digitale gegevensdragers’ en de cloud.
Waar ligt voor de politie het zwaartepunt bij de implementatie van de nieuwe wet?
Martine: “Onze allergrootste opgave is het opleiden van circa 60.000 politiemensen die op 1 april 2029 direct de nieuwe regels uit het nieuwe wetboek moeten kunnen toepassen. Het betekent dat we op diverse opleidingsniveaus en voor alle politieagenten, rechercheurs, arrestantenverzorgers, hulpofficieren van justitie en andere specialisten een opleiding in elkaar moeten zetten. Daarnaast moet het ICT-systeem erop worden aangepast, want de nummering van wetsartikelen wijzigt, de teksten wijzigen en natuurlijk de toepassing ervan.
Er zijn ruim 2.500 wijzigingen geïdentificeerd waarvoor we werkpakketten ontwikkelen om het allemaal tijdig in te voeren. We zullen de oude brochures voor slachtoffers en verdachten misschien wel middenin de nacht uit de rekken moeten halen en vervangen voor nieuwe versies.”
Hoe ingrijpend wijzigt de strafrechtpleging door het nieuwe wetboek?
Marianne: “Hoewel de uitgangspunten hetzelfde blijven, zijn er toch ook grote wijzigingen voor de praktijk. Het doel is daarbij het vooral eenvoudiger te maken, beter toepasbaar voor de huidige tijd en bij te dragen aan een uitvoering die minder belastend is voor alle betrokkenen. Zo is er in de opsporing gezocht naar een regeling die minder administratieve lasten met zich mee brengt en, anders dan nu, krijgt het onderzoek van gegevens een centrale plek. Er komen beginselen in die we al kennen, maar nu ook in het Wetboek van Strafvordering als beginselen worden gecodificeerd zoals de onschuldpresumptie, het recht op een eerlijk proces en proportionaliteit en subsidiariteit.
De impact op de politieorganisatie, het OM en de rechtspraak is groot. Er zijn straks meer rechter-commissarissen nodig omdat die een stevigere regierol krijgen tijdens het opsporingsonderzoek en vaker een rol zullen spelen bij de inzet van opsporingsbevoegdheden. Onder meer voor de wijziging naar een digitaal straf[1]dossier moet het OM de ICT-systemen aanpassen. Van de officier wordt een andere manier van werken verwacht, zoals bij het tijdig digitaal beschikbaar stellen van processtukken aan de verdediging om de beweging naar voren mogelijk te maken. En natuurlijk is er de impact voor de politie, die tegelijk met een pensioengolf te maken krijgt. Dat alles is ingrijpend.”
Marianne Hirsch Ballin (linkes) en Martine Vis (rechts)
Hoe gaat de opleiding voor de big bang er uitzien voor de politie?
Martine: “Veel dagelijks voorkomende werkzaamheden veranderen. Om politiemensen daarop voor te bereiden, zullen we duizenden lesdagen moeten organiseren. Dagen waarop honderden politiemensen dus niet inzetbaar zijn. Dit gaat de samenleving merken. We moeten daarbij met de hele keten scherp kijken naar de inzet van politiecapaciteit in die periode, zoals voor grote evenementen. Denk aan meermaals de impact die de NAVO-top had op onze beschikbaarheid en dat verspreid over een half jaar."
De hele samenleving gaat het merken. Alleen al omdat 60.000 politiemensen bijgeschoold moeten worden.
Programmadirecteur Martine Vis
Waarom de invoering van de acht boeken dan niet wat meer spreiden?
Marianne: “De inhoudelijke samenhang tussen de delen is daarvoor te groot. Zo verandert het onderzoek ter terechtzitting door de zogenoemde beweging naar voren, waardoor veel meer onderzoek vóór de zitting gaat plaatsvinden. Dat hangt dus ook weer samen met veranderingen in de fase van het vooronderzoek.
Ook verdwijnt bijvoorbeeld de dagvaarding, dat wordt een procesinleiding, welk begrip ook op verschillende plekken in het Wetboek terugkomt. Om dan ten dele de oude en ten dele de nieuwe wetgeving voor strafvordering naast elkaar te laten bestaan, dat is erg complex en nog meer belastend voor de invoering.”
Waarom de opleiding dan niet wat meer spreiden?
Martine: “Als je het mensen nu aanleert, dan ben je de helft alweer vergeten op het moment dat het moet over ruim 3 jaar, zeker omdat tot die tijd de oude regelgeving nog van kracht is. Een half jaar spreiding is waarschijnlijk het meest haalbaar. We zullen bovendien in kleine klassen moeten opleiden, want het verwerken van dit soort praktisch juridische kennis vereist wel enige begeleiding. De juridische werkelijkheid van het politiewerk is groot, maar je kiest niet voor de politie omdat je goed bent in een juridische opleiding. Er zijn wel wat kleinere onderdelen mogelijk om al eerder in te voeren. In de nieuwe wet is het horen van getuigen straks genormeerd. Nu zijn daar geen regels voor en iedereen doet dat enigszins verschillend. We kunnen daar wel mee beginnen, omdat het niet bijt met bestaande wetgeving of jurisprudentie.”
Wat is voor deze aanvullende politieopleiding nodig?
Martine: “Voor de opleiding van al onze mensen, hebben we zelf waarschijnlijk niet voldoende docenten dus zullen we de samenwerking met ketenpartners en opleidingsinstituten moeten zoeken. Er zijn vele honderden extra docenten nodig en die moeten ook opgeleid worden. Marianne helpt me daar een eerste indruk van te krijgen. De Politieacademie heeft daarin natuurlijk ook een belangrijke rol. Maar de impact is alleen al op het gebied van die gewone politieopleiding ingrijpend. Om een voorbeeld te geven: wanneer stop je met het onderwijzen van de oude regels en leer je alleen nog de nieuwe aan? Je wilt geen rekruten die het nieuwe wetboek niet kennen, maar ook geen verwarring. We zijn bezig dat uit te werken.”
Hoe is de praktijk van het politiewerk meegenomen in de ontwikkeling van het wetboek?
Martine: “Samen met Marianne hebben we daar vaak goede gesprekken over gehad. Iets kan juridisch wel mooi op papier staan, maar in de praktijk niet zo uitpakken. Het scherpte mijn juridisch denken en Mariannes praktische inzicht in ons werk. Het is bedoeld als de gereedschapskist voor ons werk dus telt de praktische kennis zwaar mee.”
Biedt de wetgeving voldoende ruimte om de invoering praktisch haalbaar te maken?
Marianne: “Het gekozen wetgevingstraject vergroot de kans op een goede implementatie. In de jaren negentig heeft het voorbereiden van de modernisering van het Wetboek van Strafvordering een aanvang genomen. Er is de tijd genomen om tot wetgeving te komen in nauwe samenspraak met de gehele keten van de strafrechtpleging. Het OM, diverse uitvoeringsorganisaties zoals het CJIB en de Reclassering, de advocatuur, de rechtspraak, de politie en de bijzondere opsporingsdiensten hebben daarin een belangrijke rol vervuld. Die zorgvuldige voorbereiding is vervolgens tijdens de parlementaire behandeling doorgezet. Door een samenwerkingsverband van een aantal universiteiten, waaronder mijn afdeling aan de VU Amsterdam, is de vaste commissie van Justitie en Veiligheid bij de parlementaire behandeling geadviseerd. Vanuit dat samenwerkingsverband zijn per boek rapportages opgesteld en hebben we op verzoek van Kamerleden meermaals college gegeven over de nieuwe wet. De commissiedebatten in de Kamer waren daarbij zeer inhoudelijk van aard. Bovendien heeft de Kamer geholpen de vaart erin te houden door de ruimte te bieden om bewust bepaalde onderdelen later nog toe te voegen, via het zogenoemde aanvullingsspoor, zodat het eindresultaat zo actueel mogelijk is. Ook is er zoveel mogelijk ingezet op toekomstbestendige bepalingen. Zo is in de nieuwe wet zo min mogelijk concreet voorgeschreven welke techniek er moet worden toegepast door de politie. Verder is in het algemeen gestreefd naar een zo eenvoudig en duidelijk mogelijke regeling.”
De impact op de politieorganisatie, het OM en de rechtspraak is groot
Advocaat Marianne Hirsch Ballin
Wat verandert er in de praktijk van bijvoorbeeld een agent op straat vanaf 1 april 2029?
Martine: “We mogen bij onduidelijkheid over iemands identiteit straks op straat een digitale vingerafdruk afnemen. Maar ook daarvoor hebben we nog wel wat invoeringsvragen te beantwoorden. We zullen apparatuur moeten inkopen, in grote aantallen en welke precies? Gaat die scanner dan aan je koppel hangen die al vele kilo’s weegt? Een ander voorbeeld is dat in de wet straks staat dat we, even in mijn woorden, kort na een verhoor een afschrift daarvan sturen naar een verdachte. Maar wat is kort erna? In een grote strafzaak een week, bij een winkeldief minder dan een uur? Het zal vast nog tot wat nieuwe arresten bij de Hoge Raad leiden.”
Is nu volledig zicht op alle wetswijzigingen?
Marianne: “Bij nieuwe wetgeving loop je na invoering altijd tegen vragen aan. Dat zagen we ook bij de Wet Usb, de nieuwe strafvorderlijke regels voor de tenuitvoerlegging, die al in werking zijn getreden. Er zijn daarom meerdere sporen voorzien. Met het meest omvattende spoor, het vaststellingsspoor, zijn we goed op weg. De twee vaststellingwetten voor alle boeken van het nieuwe Sv zijn op 1 april 2025 door de Tweede Kamer aangenomen en zijn nu bij de Eerste Kamer in behandeling. Via het innovatiespoor wordt in de praktijk geëxperimenteerd met bepaalde wijzigingen. Wijzigingen die deel uitmaken van het aanvullingsspoor zijn nog volop in ontwikkeling. Het gaat daarbij onder meer om onderwerpen die even waren geparkeerd in afwachting van de ontwikkeling van jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie, zoals de normering van vergaren en verwerken van bulkdata uit smartphones en de cloud. Hoe ga je daarbij om met bijvangst en filtering? Dit heeft ook weer samenhang met de Wet politiegegevens. De Commissie Koops II adviseert daarover. Tot slot is er met oog op het invoeringsspoor overgangswetgeving in de maak. Hoe ga je bijvoorbeeld om met lopende machtigingen voor inzet van opsporingsbevoegdheden waar 1 april 2029 ineens invalt?”
Is de politie klaar voor de nieuwe wetgeving?
Martine: “We zijn goed op dreef en hebben een goed beeld van de impact. We houden van een uitdaging en dat is dit in alle opzichten. Ik zie het daarbij als een van mijn taken om alle ketenpartners voor te bereiden op de impact, zoals als gevolg van de opleiding van politiemensen. Mijn boodschap is dat de nieuwe wet vooruitgang betekent, maar dat voor de invoering ervan de politie er komende jaren geen grote wijzigingen bij kan hebben. En dan nog zal het heus voorkomen dat we na invoering niet vanaf dag één alles perfect doen. Laten we dan niet rollebollend over straat gaan als politie, OM en strafadvocatuur bijvoorbeeld. Iedereen zal moeten wennen en als politie moeten we daarbij ook coulance betrachten richting andere ketenpartners. We zullen deze klus met elkaar moeten klaren.”
Martine Vis
Martine Vis is sinds 2022 programmadirecteur Nieuw Wetboek van Strafvordering. Met haar lange staat van dienst, variërend van districtschef, plaatsvervangend korpschef tot programmadirecteur, waarbij ze nog altijd diensten meedraait op straat, kent ze de politieorganisatie én de praktische gevolgen van de wetswijziging als geen ander.
Marianne Hirsch Ballin
Advocaat Marianne Hirsch Ballin, tevens hoogleraar Straf- en Strafprocesrecht bij de VU Amsterdam, was lid van de Commissie Letschert (voluit de Commissie Implementatie nieuw Wetboek van Strafvordering) en is nu lid van de Commissie Koops II waarbij ze meewerkt aan een advies over aanvullende wetgeving voor de normering van de verwerking van bulkdata voor de politietaak. Ook ondersteunde zij vanuit een samenwerkingsverband van vier universiteiten de Tweede Kamer bij de parlementaire behandeling van het nieuwe wetboek.
Interview met Rinus Otte, voorzitter van College procureurs-generaal van het Openbaar Ministerie (OM): “Ruimere bevoegdheid voor uitvoerders van vonnissen.”
De juridische werkelijkheid van Martine Vis, programmadirecteur van de politie, en strafrechtadvocaat Marianne Hirsch Ballin: de implementatie van het nieuwe Wetboek van Strafvordering
Een reportage van Inzicht in Bestuursrecht: procedures onder spanning
Uit de landspraktijk: een bijdrage van Reimer Veldhuis