Ga naar hoofdinhoud
Home Actueel Nieuws Marnix Alink en Folkert Venema: Juridische gereedheid in een veranderende wereld

Marnix Alink en Folkert Venema: Juridische gereedheid in een veranderende wereld

6 oktober 2026

Een drone-incident in Leipzig, intensivering van cyberaanvallen, een verwoestende oorlog in Oekraïne vanwege Russische agressie en onrust aan de Europese oostgrens. We leven niet in oorlog, maar vrede is het ook niet. De vraag is of Europa en Nederland op tijd sterk genoeg zijn om onze vrijheid, veiligheid en manier van leven te beschermen. De verdediging ervan vereist ook juridische weerbaarheid, zeggen Marnix Alink en commandeur Folkert Venema.

Het was niet eenvoudig om een gesprek tot stand te brengen met de twee topju­risten van Defensie. Gezien de huidige geopolitieke situatie hebben ze bomvolle agenda’s die zich lastig laten combineren voor een duo-interview. Toch is het goed hen samen te treffen. Zij bieden een inkijk in de juridische vraagstukken en uitda­gingen die op dit moment binnen Defensie spelen. Ze kiezen hun woorden zorg­vuldig, juist vanwege de precaire balans tussen pleiten voor meer juridische ruimte, met oog op het verdedigen van de democratische rechtsstaat.

“Het is belangrijk dat wij hierover steeds opnieuw het gesprek voeren, omdat de veiligheidssituatie nu zo snel verandert. We moeten uitleggen wat er nodig is, ook op juridisch gebied, en vooral waarom bepaalde keuzes nodig zijn. De geopolitieke spelregels en internatio­nale verhoudingen veranderen en het recht van de sterkste is terug. Juist als juristen worden wij daarin uitgedaagd: hoe benutten we de juridische ruimte die er is, waar moeten we die verruimen en hoe zorgen we er tegelijkertijd voor dat de er voldoende waarborgen blijven, passend bij ons democratische systeem”, aldus Alink.

Hoe benutten we de juridische ruimte en zorgen we voor voldoende waarborgen


Venema vult aan: “We moeten meer dan ooit durven bestaande juridische kaders en werkwijzen opnieuw tegen het licht te houden. We hebben wet- en regelgeving die in belangrijke mate is gevormd in een de decennia van langdurige vrede en voor Defensie niet past bij de huidige veilig­heidssituatie van nu. Dat vraagt om een andere manier van denken en de bereid­heid de juridische ruimte die er is ook daadwerkelijk te benutten. Het is daarbij cruciaal om het draagvlak en het vertrouwen van de samenleving te behouden, juist als we doen wat nodig is. Onze tegenstanders proberen dat ver­trouwen nu al actief te ondermijnen, onder meer met hybride oorlogsvoering. Die druk zal de komende jaren alleen maar toenemen.”

Marnix Alink directeur Juridische Zaken bij Defensie

Marnix Alink
Marnix Alink


Marnix Alink is sinds januari 2023 direc­teur Juridische Zaken bij Defensie. Vanuit die functie is hij verantwoordelijk voor de juridische advisering aan de politieke, ambtelijke en militaire top van Defensie. Zoals over internationaal (humanitair) recht, bestuursrecht, militair straf- en tuchtrecht, aanbestedingsrecht en – sinds kort ook- een wetgevingsopgave.

Ruimte voor gereedstelling

De nood is aan de man, benadrukken ze. Het verhaal is inmiddels genoegzaam bekend. De huidige wetgeving maakt het niet mogelijk realistisch te oefenen met het opstijgen, vliegen en landen met helikopters op militaire oefenterreinen. Regels voor bouwen, natuur en archeo­logie beperken de mogelijkheid om loop­graven op militaire oefenterreinen aan te leggen. Voor het oefenen met drones op militaire scenario’s zijn nog altijd dezelfde beperkende regels van toepassing die bij­voorbeeld ook gelden voor bedrijven die bedrijfsfilmpjes maken. De voorbereiding op moderne vormen van oorlog loopt hierbij dus spaak. Hun pleidooi voor meer juridische weerbaarheid, landt zo in steeds vruchtbaarder aarde, merken ze. Steeds weer nieuwe geopolitieke dreiging, zoals door de huidige strijd tussen de VS en Iran, die dagelijks voelbaar is aan de pomp, werkt daar in mee.

Alink ziet dan ook een blijvend besef van de ernst van de huidige veiligheidssituatie. “Dat is belangrijk, omdat Defensie zich nadrukkelijk voorbereidt op hoofdtaak één uit artikel 97 Grondwet: het beschermen van ons grondgebied en dat van de bondgenoten. Dat vereist een krijgsmacht die in de volle breedte geoe­fend en gereed is. Een krijgsmacht die kan afschrikken om oorlog te voorkomen. Dat merken mensen ook in de praktijk, bijvoorbeeld doordat er meer wordt geoe­fend. Daarbij botsen belangen soms met elkaar, bijvoorbeeld rond geluid, ruimte­gebruik en andere activiteiten in de omgeving van oefenterreinen. Juist daarom is het belangrijk om goed uit te leggen waarom bepaalde maatregelen nodig zijn en steeds zorgvuldig te kijken naar de juridische mogelijkheden. De Wet op de defensiegereedheid past in die bredere ontwikkeling.”

Hernieuwde weging van belangen om democratische rechtstaat te beschermen


Daar komt bij dat de fysieke en juridische ruimte voor Defensie in de afgelopen decennia is veranderd. Militaire terreinen zijn verkleind, afgestoten of voor andere doeleinden gebruikt en ook juridische instrumenten die waren ontwikkeld vanuit het perspectief van landsverdediging zijn gewijzigd of verdwenen. “Een voor­beeld is de Belemmeringenwet Landsverdediging uit 1951. Die bood Defensie bijzondere mogelijkheden ten behoeve van de landsverdediging. De huidige veiligheidssituatie roept opnieuw de vraag op welke juridische instrumenten nodig zijn om Defensie vol­doende gereed te kunnen stellen. Diverse rapporten bevestigen inmiddels dat die ruimte niet meer toereikend was. Het vraagt om een hernieuwde weging van belangen, juist ook om de democratische rechtstaat effectief te beschermen, waarbij het belang van defensie soms zal moeten prevaleren”, aldus Alink.

Venema: “Zolang de dreiging voor veel mensen nog op afstand voelt, kan al snel de indruk ontstaan dat Defensie meer vraagt dan nodig is. Dat is begrijpelijk, maar ook in Nederland merken we steeds meer van de veranderende veiligheidssituatie, bijvoorbeeld door cyberincidenten en andere hybride dreigingen in ons land. De nieuwe juridische grondslagen voor oefenen en gereedheid zien daarbij net zo goed op die dreigingen. Juist daarom is het belangrijk dat we ons tijdig voorbereiden. Tegelijkertijd blijft een grootschalig militair conflict voor veel mensen nog moeilijk voorstelbaar. We hopen vanzelfsprekend op een spoedige en duurzame vrede in Oekraïne, maar we moeten er rekening mee houden dat Rusland daarna zijn militaire capaciteit verder zal opbouwen. Dat betekent dat we nu moeten zorgen dat we gereed zijn voor scenario’s waarin ook NAVO-grondgebied rechtstreeks wordt bedreigd.”

Folkert Venema hoofd van de Militair Juridische Dienst Krijgsmacht

Folkert Venema

Commandeur Folkert Venema is sinds 2025 hoofd van de Militair Juridische Dienst Krijgsmacht (HMJDK) en adjunct-directeur Juridische Zaken bij het Ministerie van Defensie. Als HMJDK is hij verantwoordelijk voor de samenhang, rechtseenheid en verdere ontwikkeling van de militair juridische functie binnen de krijgsmacht. Daaronder vallen onder meer de opleiding en gereedstelling van circa 170 militair juristen. Daarnaast is hij militair lid van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Gereedstellen met behoud van waarborgen

De scenario’s die een veranderde veiligheidssituatie weerspiegelen, stelt ook andere eisen aan de manier waarop we juridisch naar gereedstelling kijken. Alink: “We moeten ons steeds afvragen of onze militairen voldoende kunnen trainen voor de situaties waarop we ons voorbereiden en of het juridische instrumentarium daarop aansluit, maar altijd binnen de kaders van de democratische rechtsstaat. Overigens is dat oefenen niet alleen voor onze veiligheid belangrijk, maar ook voor de militairen zelf. Juist die balans is belangrijk: Defensie moet kunnen doen wat nodig is, terwijl rechtsstatelijke waarborgen en andere belangen zorgvuldig worden meegewogen. De Wet op de defensiegereedheid is daar een voorbeeld van. Die bevat waarborgen voor zorgvuldige besluitvorming en democratische controle. Daarbij moeten we er ook voor zorgen dat nationale maatregelen passen binnen het internationale en Europese recht. Het is dan ook bepaald niet zo dat Defensie met de Wet op de defensiegereedheid een carte blanche krijgt.”

Juist daarin zit een wezenlijk verschil met tegenstanders die zich minder gebonden voelen aan dezelfde rechtsstatelijke waarborgen, weet hij. Alink wijst erop dat de Raad van State in zijn advies over de Wet op de defensiegereedheid benadrukt dat hoofdtaak één uit artikel 97 Grondwet niet alleen ziet op de bescherming van het eigen grondgebied, maar ook op de bescherming van de democratische rechtsorde. “We moeten beschermen wat ons dier­baar is en dat juist doen binnen de democratische rechtsstaat.”

Venema: “Dat is voor mij precies de kern. De vraag is niet óf we ons aan het recht houden, maar hoe we binnen dat recht voldoende ruimte vinden om onze grond­wettelijke taak ook daadwerkelijk te kunnen uitvoeren. Juist in een verslechte­rende veiligheidssituatie moeten we die balans goed blijven bewaken.” De veranderde veiligheidssituatie roept ook de vraag op hoe we omgaan met uit­gangspunten die lange tijd vanzelfspre­kend leken. Alink: “Openheid en transparantie blijven essentieel voor het vertrouwen in Defensie en in de rechts­staat. Tegelijkertijd moeten we zorgvuldig kijken hoe we omgaan met informatie die de nationale veiligheid of operationele belangen raakt. Soms kan dat betekenen dat we terughoudender moeten zijn met het openbaar maken van informatie, maar altijd goed gemotiveerd en met oog voor andere maatschappelijke belangen.”

Venema: “Voor mij staat vast dat funda­mentele normen, zoals het humanitair oorlogsrecht, niet ter discussie staan. Maar op andere terreinen moeten we wel durven kijken of bestaande juridische kaders nog voldoende aansluiten op de dreigingen van vandaag. Denk bijvoor­beeld aan het zeerecht en de aanpak van de schaduwvloot. De vraag is dan niet welke verworvenheden we willen opgeven, maar hoe we binnen de rechts­staat voldoende handelingsruimte behouden.”

Alink: “Dat vraagt soms om het opnieuw bezien van bestaande kaders, niet om het loslaten van rechtsstatelijke waarborgen. Juist onze checks and balances zijn een kracht. Het is de kunst dan te voorkomen dat noodzakelijke veranderingen onnodig lang duren. De afgelopen tijd is er vanuit Defensie hard gewerkt aan een wetge­vingsagenda die de juridische randvoor­waarden voor de gereedheid van de krijgsmacht moet versterken, zoals dus de eerdergenoemde Wet op de defensie­gereedheid, de Wet weerbare defensie-industrie, de Wet bescherming nationale veiligheid door de inlichtingen- en veilig­heidsdiensten en de herziening van het staatsnoodrecht. De afgelopen tijd zijn daarin al belangrijke stappen gezet. En we kunnen daarbij nog altijd goede juristen gebruiken”, zegt Alink met een knipoog.

Nieuwe juridische vragen rond drones en optreden in het digitale domein


Juridische gereedheid

Zo beschouwd, gaat juridische gereed­heid hand in hand met militaire gereed­heid. Venema: “Begrip van wetgeving en recht is van fundamenteel belang. Onze militairen worden onder meer getraind in het humanitair oorlogsrecht. Daarbij gaat het niet alleen om kennis van regels, maar vooral om de toepassing ervan in de praktijk. Dat geldt ook voor onze militair juristen. De ervaringen uit Oekraïne laten zien dat moderne con­flicten nieuwe juridische vragen oproepen, bijvoorbeeld rond drones, autonome systemen en optreden in het digitale domein. Onze opleidingen en voorbereiding moeten daarop blijven aansluiten.”

Van hybride dreiging naar buitengewone omstandigheden

Venema: “Ook het staatsnoodrecht, voor Defensie de Oorlogswet voor Nederland, verdient in dat verband aandacht. De oorlog van nu wordt anders gevoerd dan toen de huidige wet decennia geleden tot stand kwam, zoals met de toepassing van drones.”

Alink: “Het staatsnoodrecht is bedoeld voor uitzonderlijke situaties en kent terecht een hoge drempel. Daar tornen we niet aan. Het is wel zaak dat we de Oorlogswet voor Nederland naar de huidige tijd brengen, moderniseren, om ons teweer te kunnen stellen tegen de technologische middelen waarmee een oorlog op dit moment gevoerd wordt.”

Samenwerken waar het kan

De toenemende behoefte aan ruimte voor oefenen en gereedstelling betekent ook dat Defensie vaker te maken krijgt met andere mede-overheden, uitvoeringsor­ganisaties en toezichthouders. Alink: “Onze inzet is altijd om daar in goed overleg uit te komen. Maar er kunnen situ­aties ontstaan waarin belangen verschil­lend worden gewogen. Dan moeten we ook gebruik kunnen maken van de juridi­sche mogelijkheden die er zijn om op te komen voor de belangen van Defensie.” Venema: “Dat vraagt voortdurend om uitleg en verbinding met de omgeving. Het is niet altijd eenvoudig en we zullen soms verschillend naar belangen kijken. Maar uiteindelijk gaat het erom dat we ons als samenleving gereedmaken om ons grondgebied én onze democratische rechtsstaat te beschermen.”

Vond je dit interview leuk?

Dit interview verscheen eerder in Pels Rijcken Magazine. Abonneer je en ontvang Pels Rijcken Magazine als eerste in jouw mailbox.

Jaargang 3 | Nummer 10 | Oktober 2026

In het voorwoord beschrijft bestuursvoorzitter Sandra van Heukelom-Verhage de keuze voor de onderwerpen en wat haar opvalt in de bijdragen.

Een greep uit die bijdragen:

  • In gesprek met Marnix Alink, directeur Juridische Zaken Defensie en Folkert Venema, commandeur en hoofd Militair Juridische Dienst Krijgsmacht: "Juridische gereedheid in een veranderende wereld."
  • De juridische werkelijkheid van: ruimtegebrek. Over de opkomst van de ‘Nimi’ en het belang van bestuurlijke keuzes. Met advocaten Daniëlle Roelands-Fransen, Julian Kramer en Anne Cramer.
  • De Zaak: Klem in de rechtsstaat. Waarin advocaat Wemmeke Wisman terugkijkt op een procedure waarin complexe regelgeving, wantrouwen tegen de overheid en schadelijk belastingadvies samenkwamen.
  • Een uitgebreide terugblik op de Week van de Rechtsstaat, zoals met de bijdrage Uit de landspraktijk van landsadvocaat Reimer Veldhuis.
Deel dit artikel via LinkedIn en e-mail