Gereedstellen met behoud van waarborgen
De scenario’s die een veranderde veiligheidssituatie weerspiegelen, stelt ook andere eisen aan de manier waarop we juridisch naar gereedstelling kijken. Alink: “We moeten ons steeds afvragen of onze militairen voldoende kunnen trainen voor de situaties waarop we ons voorbereiden en of het juridische instrumentarium daarop aansluit, maar altijd binnen de kaders van de democratische rechtsstaat. Overigens is dat oefenen niet alleen voor onze veiligheid belangrijk, maar ook voor de militairen zelf. Juist die balans is belangrijk: Defensie moet kunnen doen wat nodig is, terwijl rechtsstatelijke waarborgen en andere belangen zorgvuldig worden meegewogen. De Wet op de defensiegereedheid is daar een voorbeeld van. Die bevat waarborgen voor zorgvuldige besluitvorming en democratische controle. Daarbij moeten we er ook voor zorgen dat nationale maatregelen passen binnen het internationale en Europese recht. Het is dan ook bepaald niet zo dat Defensie met de Wet op de defensiegereedheid een carte blanche krijgt.”
Juist daarin zit een wezenlijk verschil met tegenstanders die zich minder gebonden voelen aan dezelfde rechtsstatelijke waarborgen, weet hij. Alink wijst erop dat de Raad van State in zijn advies over de Wet op de defensiegereedheid benadrukt dat hoofdtaak één uit artikel 97 Grondwet niet alleen ziet op de bescherming van het eigen grondgebied, maar ook op de bescherming van de democratische rechtsorde. “We moeten beschermen wat ons dierbaar is en dat juist doen binnen de democratische rechtsstaat.”
Venema: “Dat is voor mij precies de kern. De vraag is niet óf we ons aan het recht houden, maar hoe we binnen dat recht voldoende ruimte vinden om onze grondwettelijke taak ook daadwerkelijk te kunnen uitvoeren. Juist in een verslechterende veiligheidssituatie moeten we die balans goed blijven bewaken.” De veranderde veiligheidssituatie roept ook de vraag op hoe we omgaan met uitgangspunten die lange tijd vanzelfsprekend leken. Alink: “Openheid en transparantie blijven essentieel voor het vertrouwen in Defensie en in de rechtsstaat. Tegelijkertijd moeten we zorgvuldig kijken hoe we omgaan met informatie die de nationale veiligheid of operationele belangen raakt. Soms kan dat betekenen dat we terughoudender moeten zijn met het openbaar maken van informatie, maar altijd goed gemotiveerd en met oog voor andere maatschappelijke belangen.”
Venema: “Voor mij staat vast dat fundamentele normen, zoals het humanitair oorlogsrecht, niet ter discussie staan. Maar op andere terreinen moeten we wel durven kijken of bestaande juridische kaders nog voldoende aansluiten op de dreigingen van vandaag. Denk bijvoorbeeld aan het zeerecht en de aanpak van de schaduwvloot. De vraag is dan niet welke verworvenheden we willen opgeven, maar hoe we binnen de rechtsstaat voldoende handelingsruimte behouden.”
Alink: “Dat vraagt soms om het opnieuw bezien van bestaande kaders, niet om het loslaten van rechtsstatelijke waarborgen. Juist onze checks and balances zijn een kracht. Het is de kunst dan te voorkomen dat noodzakelijke veranderingen onnodig lang duren. De afgelopen tijd is er vanuit Defensie hard gewerkt aan een wetgevingsagenda die de juridische randvoorwaarden voor de gereedheid van de krijgsmacht moet versterken, zoals dus de eerdergenoemde Wet op de defensiegereedheid, de Wet weerbare defensie-industrie, de Wet bescherming nationale veiligheid door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en de herziening van het staatsnoodrecht. De afgelopen tijd zijn daarin al belangrijke stappen gezet. En we kunnen daarbij nog altijd goede juristen gebruiken”, zegt Alink met een knipoog.