Ga naar hoofdinhoud
Home Actueel Nieuws De juridische werkelijkheid van: Ruimtegebrek

De juridische werkelijkheid van: Ruimtegebrek

2 november 2026

Het lijkt soms alsof wet- en regelgeving en het toenemend juridisch debat hierover in rechtszaken het ruimtegebruik in Nederland verdelen. Neem de juridische discussie over stikstofuitstoot, de geluidplafonds rond Schiphol en de rechten van de wolf. Niets is minder waar. Nu verschillende publieke belangen strijden om dezelfde grond en milieuruimte, bieden alleen maatschappelijke en bestuurlijke keuzes soelaas voor toekomstig ruimtegebruik.

Het begrip ‘nimby’: not in my backyard, verscheen in de jaren zeventig voor het eerst in de media en is sindsdien een gevestigd verschijnsel in omgevingsvraagstukken geworden. Omwonenden (‘nimbies’) die vanwege de te verwachten overlast proberen de komst of uitbreiding tegen te houden van nieuwe windparken, bedrijventer­reinen, woonwijken of infrastructuur.

“Wat wij in de praktijk zien, is dat de ‘nimby’ steeds vaker juridische middelen aangrijpt. Misschien komt het doordat er een steeds grotere claim op het ruimtegebruik in Nederland is of doordat mensen meer bereid zijn stappen te ondernemen. Wellicht is het ook een effect van de Omgevingswet”, zegt advocaat Daniëlle Roelands-Fransen die hoofdzakelijk over­heden adviseert over omgevingsvraagstukken.

Onder de Omgevingswet is participatie over ruimtelijke ontwikkelingen centraal gesteld. Stakeholders worden in een vroeg stadium uitgenodigd om mee te denken overxeen ontwikkeling.

Waar participatie ertoe zou moeten leiden dat een dis­cussie over bijvoorbeeld de schaduwwerking van een nieuw flatgebouw wordt beslecht met het herpositio­neren van de flat of door er bijvoorbeeld een woonlaag minder bovenop te bouwen, is dat niet altijd het resultaat.

“Tegenwoordig stapt men naar de rechter met de klacht dat in het kader van participatie onvoldoende rekening wordt gehouden met de belangen van derden omdat de ontwikkeling toch doorgang vindt”, aldus Daniëlle Roelands-Fransen. Die ontwikkeling neemt een steeds grotere vlucht.

Hoofdzaken

Bij de zogenoemde Omgevingskamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is de schaarse ruimte en de toenemende discussie daar­over goed te merken.

2025

Na jaren van stijging is in 2025 weliswaar het aantal nieuwe zaken gedaald, maar de bestaande zaken worden alsmaar complexer.

73 weken

Daardoor nam de doorlooptijd van  'hoofdzaken' in 2025 op naar 73 weken gemiddeld, waar dat in 2024 nog 62 weken was en in 2021 nog 43 weken.

Gezien de woningnood startte de Afdeling bestuursrecht¬spraak sinds de zomer van 2024 het ‘Woningbouwproject’ waarbij kort gezegd woningbouwzaken voorrang krijgen op andere rechtszaken in het omgevingsrecht. Dat loopt nog door tot zeker de zomer van 2027. De ambitie om zoveel mogelijk woningen te bouwen, vormt een rode draad in tal van procedures en juridische kwesties rond ruimtegebrek, zegt Roelands-Fransen. Ze somt op:

  • Het woningbouwproject Binckhorst in Den Haag is een project van de lange adem. Waar het gebied nu nog overwegend een bedrijventerrein is, moeten steeds meer woningen komen. Bedrijven komen daartegen in verweer omdat ze vrezen steeds minder milieuruimte over te houden als er eenmaal mensen wonen die klagen over overlast.
  • Het Hamerkwartier in Amsterdam-Noord kent een vergelijkbare historie. Ook daar verandert een bedrijventerrein naar een woonwijk met duizenden woningen. Met een chemiebedrijf dat er wel blijft, zijn nu afspraken gemaakt. De woningen komen verder van het bedrijf¬sterrein af te staan en het chemiebedrijf op het indus¬trieterrein heeft toekomstgaranties gekregen.

Juridische instrumenten kunnen wel helpen, zegt Roelands-Fransen. “Je kunt sturingsregels opstellen. Maar het begint alsnog wel met een bestuurlijke keuze. Daarna volgt het juridisch uitwerken ervan. Afhankelijk van de thema’s die spelen, dienen keuzes door het rijk, op provinciaal niveau of gemeentelijk niveau te worden genomen. Dat vraagt om het in samenhang bezien van verschillende thema’s. De Omgevingswet biedt daarvoor het instrument van de Omgevingsvisie: een integraal document waarin gebruiksruimte moet worden verdeeld. Niet voor niets vormde de verdeling van gebruiksruimte één van de ontwerpprincipes van de Omgevingswet. Het is en blijft van belang om dit principe centraal te stellen en daar het beleid omheen te vormen. Daar valt zeker nog winst te behalen”.

Woordvoerder Pieter-Bas Beekman: "We zien daarbij dat werkelijk alle mogelijke gronden voor beroep worden aangevoerd. Verlies van uitzicht als beroepsgrond is sterk in opkomst. Verder gaat het bijvoorbeeld om parkeeroverlast, geluidshinder, windhinder, verlies van privacy, verkeerstoename, trillingshinder. Op elke beroepsgrond moet worden ingegaan. We kampen daardoor ook met achterstanden."

Maar daarnaast ziet Roelands-Fransen een nieuw soort belanghebbende die in opkomst is op het juridische strijdtoneel. Eentje die de discussie fundamenteel van aard wijzigt.

“Je zou ze de ‘nimi’, de not in my interest, kunnen noemen. Partijen die niet zozeer strijden voor hun individuele woongenot in de achtertuin, maar eveneens voor een publiek belang, zoals van bedrijvigheid, defensie en waterveiligheid. Dat de ruimte daarvoor zich moeilijker laat verdelen, is een teken aan de wand dat grond en milieuruimte almaar schaarser worden en dat steeds meer knelt.”

Gevraagd naar juridische ondersteuning bij dergelijke kwesties, moet Roelands-Fransen steeds vaker toelichten dat er geen juridische oplossing is die de belangenafweging eenvoudiger maakt. “Partijen worden in hun publieke belangen geraakt doordat andere publieke belangen voor gaan. De moeilijke boodschap is dat er geen regelgeving bestaat die dat soort keuzes al bepaalt. De rechter toetst in dergelijke kwesties bovendien marginaal. De rechter bepaalt immers niet welk publiek belang voorrang heeft, maar gaat vooral na of de gevolgde procedure juist is geweest en de motivering bij besluiten deugdelijk is geweest.”

Dat overheden het maken van die belangenafweging complex vinden, is goed te begrijpen, zegt ze. Zo stapelen de voorbeelden zich op van complexe procedures als gevolg van dit soort kwesties. Zo koos de provincie Groningen voor het voorrang geven aan de energietransitie in de Oostpolder direct aansluitend aan de Eemshaven, waardoor de agrarische bedrijven in die omgeving beperkt worden.

Wie kriskras door Nederland rijdt, kan nog wel eens denken: ik zie nog wel weidse vlakten


“Zij zijn de nimies in deze kwestie. Een sprekend voorbeeld is ook de zoektocht naar de locatie voor een nieuw radarstation voor Defensie. Door plannen voor windparken en woonwijken is de ruimtelijke inpasbaarheid van een radar met voldoende dekkingsgraad in Nederland aanzienlijk beperkt. De locatie waar de keuze uiteindelijk op viel, resulteerde in hevig protest, gevolgd door juridische stappen bij rechterlijke instanties, vanwege de aldaar gevreesde effecten voor omwonenden. Omwonenden worden daarbij gesteund door het lokale bestuur in hun strijd tegen Defensie.”

Veel druk op de ruimte ontstaat als gevolg van de gewenste uitbreiding van woongebieden. “Wie kriskras door Nederland rijdt, kan nog wel eens denken: ik zie nog wel weidse vlakten. Daar moet toch wel iets mogelijk zijn. Maar schijn bedriegt. Zo botst de komst van het nieuwe dorp Cortelande met 8.000 woningen in de gemeente Zuidplas op het belang van waterveiligheid. Het hoogheemraadschap is daar de nimi, die het publieke belang van water naar voren brengt, tot aan de bestuursrechter. Inmiddels is daar een bestuurlijk compromis gesloten en is het beroep bij de rechter ingetrokken. Overigens liggen er daar alsnog wel andere beroepen.” Tot slot concludeert Roelands-Fransen daarom: “Zorgvuldig ruimtegebruik betekent in veel gevallen meervoudig ruimtegebruik waarbij verschillende belangen naast elkaar kunnen bestaan. Indien sprake is van botsende belangen dan vergt zorgvuldig ruimtegebruik dat heldere en navolgbare keuzes worden gemaakt. Daarmee zal een gang naar de rechter niet altijd kunnen worden voorkomen. Maar het vergroot wel de kans dat besluitvorming dan standhoudt voor de bestuursrechter.”

Daniëlle Roelands-Fransen Advocaat-partner

Advocaat-partner Daniëlle Roelands- Fransen is gespecialiseerd in ruimte­lijk ordeningsrecht, milieurecht en omgevingsrecht. Zij adviseert en pro­cedeert veelvuldig in grootschalige en complexe ruimtelijke projecten zoals de transformatie van binnenstedelijke (industrie)gebieden naar woon-/ werkgebieden, het realiseren van hoogbouwprojecten en de aanleg en uitbreiding van infrastructuur.


Dijkversterking, wonen en asielopvang

De dilemma’s rond ruimtegebrek kennen veel verschijningsvormen. Van dijkversterkingsproject tot ruimte voor de natuur tot opvang van asielzoekers op basis van de Spreidingswet. De advocaten Julian Kramer en Anne Cramer spraken erover met de podcastmaker van Jong Juridisch, als ook over de vraag hoe het is om daarin als jonge advocaten de overheid bij te staan.

Aan mij om dan in geest van besluit uitleg te geven aan rechter en belanghebbenden
Julian Kramer

“De dijk is de aorta van een gemeenschap. Als je aan de dijk komt, kom je dus aan de mensen. Als advocaat ga je met respect om met die plek. Maar de dijk versterken kan niet zonder te knellen”, vertelt Julian Kramer. Hij schetst dat er daarmee altijd een belangenafweging is. “Het is niet zo dijkversterking altijd voorrang heeft op landbouw of dat Defensie altijd voorgaat op wonen of in het omgevingsrecht. De Tweede Kamer kan daar bijvoorbeeld toe besluiten. Uiteindelijk is het aan mij om dan in de geest van dat besluit uitleg te geven aan de rechter, maar ook aan belanghebbenden.”

In beroepsschriften lees je de onvrede. Het is belangrijk om je daarin te kunnen inleven
Anne Cramer

Ook Anne Cramer merkt dat dit soort bestuurlijke vraagstukken, soms stevige discussie oproepen, zoals rond de Spreidingswet. “In de specifieke zaken waarin ik als advocaat optreed voor de overheid, gaat het om de vraag wie belanghebbend is. En dus heel wezenlijk: staat voor een lokale politieke partij en een belangenvereniging bezwaar en beroep open tegen het verdeelbesluit van de minister. In de beroepsschriften van deze partijen lees je de onvrede. Het is belangrijk om je daarin te kunnen inleven, maar in deze zaak bleef het wel de vraag of de bestuursrechter de plek is om dat te uiten. De minister vindt van niet. Het is de uitdaging dan het verhaal van de minister ook goed over te brengen.”

Vond je dit artikel leuk?

Dit artikel verscheen eerder in Pels Rijcken Magazine. Abonneer je en ontvang Pels Rijcken Magazine als eerste in jouw mailbox.

Jaargang 3 | Nummer 10 | Oktober 2026

In het voorwoord beschrijft bestuursvoorzitter Sandra van Heukelom-Verhage de keuze voor de onderwerpen en wat haar opvalt in de bijdragen.

Een greep uit die bijdragen:

  • In gesprek met Marnix Alink, directeur Juridische Zaken Defensie en Folkert Venema, commandeur en hoofd Militair Juridische Dienst Krijgsmacht: "Juridische gereedheid in een veranderende wereld."
  • De juridische werkelijkheid van: ruimtegebrek. Over de opkomst van de ‘Nimi’ en het belang van bestuurlijke keuzes. Met advocaten Daniëlle Roelands-Fransen, Julian Kramer en Anne Cramer.
  • De Zaak: Klem in de rechtsstaat. Waarin advocaat Wemmeke Wisman terugkijkt op een procedure waarin complexe regelgeving, wantrouwen tegen de overheid en schadelijk belastingadvies samenkwamen.
  • Een uitgebreide terugblik op de Week van de Rechtsstaat, zoals met de bijdrage Uit de landspraktijk van landsadvocaat Reimer Veldhuis.
Deel dit artikel via LinkedIn en e-mail